Aldus sprak Friedrich Nietzsche

Hans Driessen. Foto Mirjana Vrbaski

Zaterdag 3 maart werd in Nijmegen een nieuwe vertaling van ‘De vrolijke wetenschap’ van de filosoof Friedrich Nietzsche gepresenteerd. De vertaling is van de hand van Hans Driessen, die in september vorig jaar overleed. Vóór alles wilde hij vertalen in klare taal.

De presentatie van Nietzsches ‘De vrolijke wetenschap’ vond plaats in de Nijmeegse boekhandel Roelants. Van het evenement was werk gemaakt, want behalve Nietzsche-expert Paul van Tongeren waren er maar liefst twee uitgevers die acte de présence gaven. Van Tongeren ging in op de ontstaansgeschiedenis van ‘De vrolijke wetenschap’ en Marc Beerens van uitgeverij Vantilt en Koen van Gulik van uitgeverij De Wereldbibliotheek wijdden warme woorden aan Hans Driessen (1953-2017). Zodoende ging deze bijeenkomst niet alleen over Nietzsche, maar ook over zijn vertaler.

‘De vrolijke wetenschap’ is eerder in 1976 naar het Nederlands vertaald door een andere Limburger die neerstreek in Nijmegen, stad aan de Waal: Pé Hawinkels (1942-1977). En er is een literair werk dat zowel Hawinkels als Driessen vertaalde: ‘De toverberg’ van Thomas Mann, resp. in 1975 en in 2012. Beiden vertaalden zowel filosofie als literatuur vanuit het Duits naar het Nederlands. Hawinkels vertaalde ook een aantal boeken vanuit het Engels naar het Nederlands; Driessen deed dat slechts één keer.

Friedrich Nietzsche (± 1869)

Hans Driessen ontfermde zich in 1999 als vertaler over een heruitgave van Hawinkels’ ‘De vrolijke wetenschap’ als onderdeel van de Nietzsche-bibliotheek die uitgeverij De Arbeiderspers uitgaf. Toen beperkte Driessen zich voornamelijk tot een verhelderend notenapparaat en een nawoord. Maar voor deze vertaling voer hij een geheel eigen koers, schoof hij de vertaling van Hawinkels terzijde en baseerde zich op Nietzsches origineel.

Aanzegger van het nihilisme

Volgens Paul van Tongeren is ‘De vrolijke wetenschap’ (‘la gaya scienza’) het belangrijkste boek van Friedrich Nietzsche. Van Tongeren: “En dus niet ‘Aldus sprak Zarathoestra’, zoals Nietzsche zelf vond.” Beide titels publiceerde Nietzsche vlak na elkaar: ‘De vrolijke wetenschap’ in 1882 en van 1883 tot 1885 ‘Aldus sprak Zarathoestra’. Hierna, in 1887, publiceerde hij een langere versie van ‘De vrolijke wetenschap’, dat wil zeggen hij voegde er een vijfde hoofdstuk (‘boek’, in de terminologie van Nietzsche) aan toe. Ook werd ‘De vrolijke wetenschap’ nu ingeleid en uitgeleid met gedichten.

‘De vrolijke wetenschap’ en ‘Aldus sprak Zarathoestra’ zijn de meest persoonlijke boeken van Nietzsche, waarin hij zichzelf als cultuurcriticus – aanzegger van het nihilisme – niet spaarde. In 383 aforismen (gezien hun lengte eigenlijk aforistische teksten) die ogenschijnlijk over uiteenlopende kwesties gaan, zet Nietzsche de dingen altijd op scherp. Of het nu over ‘kudde-instinct’ of ‘over de vrouwelijke kuisheid’ gaat. Toch zit er een zeker patroon in, dat je als lezer slechts waarneemt als je je eigen zekerheden ter discussie stelt.

‘De vrolijke wetenschap’ heeft een januskop: achter ‘vrolijkheid’ schuilt het vermoeden van een komende catastrofe. Bevrijding en bedreiging gaan hand in hand. Neem de titel van de gedichten die de aforismen afsluiten: ‘Liederen van prins Vogelvrij’. Het woord ‘vogelvrij’ wijst enerzijds op ‘zo vrij als een vogel zijn’ en anderzijds ‘buiten de wet staan’. Nietzsche vertalen is geen sine cure. Zijn filosofische zeggingskracht krijgt gestalte door zijn groot retorisch talent, in een vlammende spreekstijl (op schrift voorzien van tal van uitroeptekens en gedachtestreepjes), rijk aan metaforen en allegorieën. Nietzsche brengt zijn filosofische bespiegelingen met behulp van een rijk arsenaal aan stijlmiddelen over het voetlicht, ontleend aan de literatuur. Je kunt zijn aforismen daarom als literaire teksten beschouwen. Ook hier die januskop, die dubbelheid: filosofie verpakt als fictie.

Verschil in uitgangspunten

Eén spreker had zich vanwege ziekte bij de presentatie van deze nieuwe Nederlandse uitgave afgemeld: Han Teunissen, student aan de Radboud Universiteit, studierichting Duitstalige letterkunde, wiens eindscriptie uit 2017 ging over de vertaalbaarheid van Nietzsches ‘Vrolijke wetenschap’. In zijn degelijke ‘Übersetzungskritik’ vergelijkt Teunissen de vertaling van Pé Hawinkels uit 1976 met die van Hans Driessen uit 2017, dat wil zeggen het manuscript dat Teunissen onder ogen kreeg. Driessen had de vertaling er toen al op zitten, maar de vraag is of hij in het eindtraject vóór publicatie nog details zou hebben veranderd.

Voor zijn vergelijkend onderzoek selecteerde Han Teunissen uit ‘De vrolijke wetenschap’ tien aforismen. Hoe getrouw werden die door Hawinkels en Driessen naar het Nederlands vertaald? Om te beginnen komen volgens Teunissen in de Nederlandse vertaling filosofische begrippen niet altijd tot hun recht. Zo vertaalt Driessen ‘Bejahung’ met ‘bevestiging’ en ‘Affection’ met ‘emotie’. Zelf heb ik ook mijn bedenkingen bij de keuze voor het woord ‘bevestiging’. Het is een eigentijds woord, maar het doet geen recht aan de positieve connotatie die Nietzsche eraan gaf. En ‘emotie’ is een ontlading van een affect, van een gemoedstoestand. Valt er dus niet mee samen.

Friedrich Nietzsche (± 1875)

Wezenlijker verschil ligt op het vlak van de uitgangspunten van beide vertalingen. Pé Hawinkels ging uit van het literaire gehalte van ‘De vrolijke wetenschap’. Dat stond hem toe een vertaling te maken die zich niet nauwgezet aan het origineel hield, maar die – op het vlak van associaties en connotaties – in Nederlandse vertaling diens literaire evenknie werd. Een knap staaltje vertalen. Van Tongeren omschreef het vertaalwerk van Hawinkels als ‘exuberant’, uitbundig.

Pietje-precies

Hans Driessen, die de vertaling van Hawinkels goed kende, gooide het over een andere boeg. Hij streefde een leesbare vertaling na die nauw aansloot bij de oorspronkelijke tekst. Daarbij schroomde hij overigens niet om lange zinnen op te delen. Dat deed hij door regelmatig een gedachtestreepjes of een dubbele punt te negeren en daarvoor in de plaats met een nieuwe zin te beginnen.  En dan te bedenken dat interpunctie voor Nietzsche juist van essentieel belang was voor zijn teksten.

Hetzelfde verschil in uitgangspunt zien we bij de vertaling van ‘De toverberg’ van Thomas Mann. Ook in dit geval leverde Hawinkels eerder, in 1975, een vertaling af (nadien veertien keer herdrukt), die in feite een hertaling was. Maar als zodanig volledig recht deed aan de geest van de oorspronkelijke tekst van Mann. Driessen probeerde met zijn vertaling dichter bij de oorspronkelijke tekst te blijven, maar wist niettemin een soepele vertaling af te leveren. Opmerkelijk is dat in de kritieken na het verschijnen van Driessens vertaling van ‘De toverberg’ in 2012 voor veel critici de vertaling van Driessen en die van Hawinkels als gelijkwaardig werden beoordeeld. Een goede vertaling kan dus op verschillende manieren tot stand komen.

Duitse denkers als Kant en Hegel blinken uit in moeilijk taalgebruik, zo wordt dat althans vaak door de Nederlandse lezer ervaren. Veel Duitse filosofische teksten bestaan uit lange zinnen, doorspekt met tussen- en bijzinnen, waarin een abstract thema wordt uitgewerkt. Maar Schopenhauer en Nietzsche waren briljante essayisten die welluidend schreven. Daarom begrijp ik achteraf goed dat Hans Driessen vijf jaar geleden direct toezegde om deel te nemen aan de debatmiddag ‘Klare taal!’, die ik als directeur van een schrijversvakschool organiseerde. Op die middag maakte Driessen duidelijk dat hij het als zijn opdracht zag om elke vertaling zo helder mogelijk te laten klinken.

Koen van Gulik, uitgever van De Wereldbibliotheek, lichtte toe hoe vertaler Hans Driessen te werk ging. Eerst vertaalde hij elk woord letterlijk. Daarna maakte hij er grammaticaal goed lopende zinnen van. En vervolgens polijstte hij een tekst tot een vlot lopend Nederlands.  Van Gulik: “Door deze aanpak bleef Driessen dicht bij de oorspronkelijke bron. Hij had geen overdreven respect voor een tekst, hij trad elke tekst op dezelfde manier tegemoet.” Het resultaat van deze werkwijze is bijvoorbeeld de voortreffelijke vertaling van ‘De wereld als wil en voorstelling’ van de filosoof Arthur Schopenhauer.

Hans Driessen was als vertaler een pietje-precies. Van Gulik: “Als de persklaarmaker nog wat correcties had aangebracht, dan werden die meestal door Driessen weersproken. Hij ging erover in discussie en dan onderkenden wij op de uitgeverij dat hij meestal gelijk had.”

Huzarenstukje

Ook andere vertalingen van Driessen zijn in soepel Nederlands verschenen. Hij verrichtte een huzarenstukje door ‘Minima moralia. Reflecties uit het beschadigde leven’ van Theodor W. Adorno te vertalen. Zelf had ik altijd gedacht dat dit onmogelijk was, omdat de weerbarstige stijl van Adorno onlosmakelijk verbonden is met de inhoud van zijn teksten. De aforistische opzet van ‘Minima moralia’ lijkt op die van de ‘De vrolijke wetenschap’, hoewel Nietzsche een veel betere stilist was.

En om nog één voorbeeld te geven: Driessens vertaling in 2015 van ‘Het communistisch manifest’ van Karl Marx en Friedrich Engels dat uitblinkt in levendigheid, waarvoor met name het stilistisch talent van Marx garant stond. Er waren eerdere Nederlandse vertalingen van ‘Het communistisch manifest’ voorhanden, waarbij de lezer zich als het ware door dor hout een weg moest kappen. Pas Driessen wist deze klassieke tekst in het Nederlands te laten glanzen.

Friedrich Nietzsche (1882)

Marc Beerens van uitgeverij Vantilt vertelde dat de laatste revisie van Driessens vertaling van ‘De vrolijke wetenschap’, door toedoen van zijn voortijdige dood, door Paul van Tongeren en Michel Melenhorst is doorgevoerd. Zij deden de eindredactie. Van Tongeren schreef tevens een lezenswaardig nawoord. Ard Posthuma vertaalde de gedichten. Ik vermoed dat Hans Driessen tevreden zou zijn geweest met deze publicatie. Temeer omdat ik inschat dat de eindredacteuren geen inhoudelijke veranderingen hebben aangebracht. De woorden ‘bevestiging’ en ‘emotie’ zijn bijvoorbeeld gehandhaafd, ondanks de kritiek van Han Teunissen. Driessens ‘De vrolijke wetenschap’ is in het Nederlands zeer leesbaar, ook al moet de lezer zijn hoofd erbij houden en zich overgeven aan de tekst om deze zich te kunnen toe-eigenen.

Ik stel vast dat zowel Pé Hawinkels als Hans Driessen een goede vertaling van ‘De vrolijke wetenschap’ heeft gemaakt, ieder op hun eigen manier. Met de kanttekening dat het een prestatie van formaat is dat Hawinkels’ vertaling veertig jaar na dato nog zo goed te pruimen is. Doorgaans komt een Nederlandse vertaling al na een paar decennia wat ouwelijk over. Dat komt doordat het Nederlands, in woord en geschrift, zo razendsnel verandert.

Ik sluit af met een fragment uit de vertaling van ‘De vrolijke wetenschap’ door Hans Driessen. Het is het begin van Aforisme 125: De krankzinnige man.

“Hebben jullie nooit gehoord van die krankzinnige man, die op een heldere ochtend een lantaarn aanstak, de markt op liep en onophoudelijk schreeuwde: ‘Ik zoek God! Ik zoek God! – Omdat daar juist veel mensen bijeen stonden die niet in God geloofde, veroorzaakte hij een groot gelach. ’Is hij dan verloren gegaan?’ zei de een. ‘Is hij verdwaald als een kind?’ zei de ander. ‘Of houdt hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Is hij op een boot gestapt? Geëmigreerd?’ – zo schreeuwden en lachten ze door elkaar. De krankzinnige man sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. ‘Waar God heen is?’, riep hij, ‘Ik zal het jullie vertellen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik! Wij allen zijn z’n moordenaars!”

—————–

Friedrich Nietzsche: ‘De vrolijke wetenschap (‘la gaya scienza’). Vertaald door Hans Driessen. Gedichten vertaald door Ard Posthuma. Met een nawoord van Paul van Tongeren. Uitgeverij Vantilt. Nijmegen 2018. 346 blz., € 22,50.

Nota bene: een omissie is dat de oorspronkelijke Duitse titel, ‘Die fröhliche Wissenschaft’, onvermeld blijft. Dat zou Hans Driessen niet zijn overkomen.

Han Teunissen: ‘Die Übersetzbarkeit von Nietzsches “Fröhliche Wissenschaft”. Eine Übersetzungskritik an die niederländischen Übersetzungen von Pé Hawinkels und Hans Driessen.’ Radboud Universiteit, juni 2017.

Portretfoto Hans Driessen: Mirjana Vrbaski.

Op 7 oktober 2017 wijdde ik op deze site een afzonderlijke beschouwing aan Pé Hawinkels.

Jelle Jeensma

Schrijver Jelle Jeensma

Als journalist publiceerde ik over uiteenlopende onderwerpen, maar vooral over film, literatuur en onderwijs. Ik redigeerde boeken, tijdschriften, brochures en artikelen. Van diverse filmbladen en universiteitsbladen was ik hoofd- of eindredacteur. Bij een dagblad was ik chef kunst. Als freelancer werkte ik voor verschillende journalistenbureaus. Als ghostwriter kroop ik in de huid van anderen en schreef ik zowel persoonlijke als zakelijke stukken.

Bekijk de essays van Jelle Jeensma

Uw reactie

%d bloggers liken dit: