Ruud Lubbers baande de weg voor Mark Rutte

Afscheid Ruud LubbersIn de media wordt de pas overleden Ruud Lubbers herdacht als de gezaghebbende politicus die ons land er in de jaren tachtig doorheen heeft gesleept. Door als minister-president in zijn drie opeenvolgende kabinetten grootscheepse bezuinigingen door te voeren. Enige nuancering is op zijn plaats.

Van Ruud Lubbers, premier van 1982 tot 1994, verschenen de afgelopen dagen tal van hagiografieën. Trouw kopte na diens overlijden: ‘Een groot premier is overleden’. NRC Next kwam met ‘Hyperintelligente sfinx die zijn stempel op de jaren tachtig drukte’. Het Parool typeerde de langst zittende premier van Nederland met ‘Kampioen bezuinigen, meester in het compromis’. Jan Tromp deed Lubbers in de Volkskrant nog het meeste recht met zijn genuanceerd artikel ‘Macher, mecanicien, binnenvetter en verliezer’.

Een ‘Macher’ was hij, een alleskunner. Lubbers was intelligent, een dossiervreter, zeer inventief in het bedenken van oplossingen voor gerezen politieke problemen en hij had een tomeloze energie. Als minister-president, ‘de eerste onder zijn gelijken’, ging hij zijn boekje te buiten door het beleid van zijn ministers te sturen. Hij beschikte op zijn eigen ministerie, dat van Algemene Zaken, over een aantal ‘raadadviseurs’ die optraden als zijn spionnen. Die koekeloerden op de andere ministeries om te achterhalen wat daar de politieke issues van dat moment waren. Die informatie speelden ze door aan hun baas, die zich vervolgens goed geïnformeerd tot een collega-minister wendde met de woorden ‘Ik denk graag even met je mee’ of ‘Laat mij even over je schouder meekijken’.

Themanummer

Toen Ruud Lubbers in 1989 vijftig werd, wijdde het links liberale weekblad De Groene Amsterdammer een themanummer aan hem. En inderdaad, hij werd erin afgeschilderd als Macher, een alleskunner. Ik kan mij herinneren dat in een van die artikelen beschreven werd hoe Lubbers op straat nabij zijn huis een dief, ik meen een junk, in de kraag vatte. Ook dát kon onze minister-president, dieven inrekenen!

In de tijd dat ik aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam werkte, liep ik regelmatig langs zijn huis. Lubbers woonde op een steenworp afstand van de campus Woudestein. Ik heb hem daar eens een debat zien voeren. Zijn opponent was een vileine en goedgebekte debater, verbonden aan de economische faculteit. Het discussieonderwerp ben ik vergeten, maar niet dat die wetenschapper gehakt van Lubbers maakte. Ik kreeg bijkans medelijden met het slachtoffer. Het was eind jaren negentig en Lubbers had de politiek de rug toegekeerd. Zou hij het debatteren, dat hem tijdens zijn politieke loopbaan zo makkelijk afging, zijn verleerd?, vroeg ik mij in de pauze af. Daarna was de beurt aan Lubbers en vol verbazing zag ik hoe die terugkwam, als een bokser in de ring, en zijn tegenstander verbaal knock-out sloeg.

Dat deed hij niet door zijn lubberiaans taalgebruik in te zetten, onnavolgbare zinnen vol vaagheden, die hem als politicus kenmerkte. Nee, hij liet zien dat hij ook andere registers kon bespelen, in dit geval dat van het wetenschappelijke discours. Hij profileerde zich als geleerde die vol esprit sprak. Die rol had de econoom uit Kralingen zich eigen gemaakt toen hij van 1995 tot 2000 deeltijdhoogleraar ‘Globalisering’ in Tilburg was. Ook dat ging hem goed af.

Plichtmatige necrologieën

Ruud Lubbers kwam in 1982 aan het hoofd te staan van een kabinet met CDA en VVD. Het was de tijd dat het financieringstekort boven de tien procent lag en de werkeloosheid toenam met meer dan tienduizend werklozen per maand. De verhoudingen tussen de werkgeversorganisaties en de vakbeweging waren gepolariseerd. Niet langer lukte het om centrale afspraken te maken. De vakbonden pleitten voor loonsverhoging en de werkgeversorganisaties dumpten op hun beurt honderdduizenden werknemers van wie ze af wilden in de WAO. De overheidsschuld rees de pan uit.

Het eerste kabinet-Lubbers trad resoluut op, de Nederlandse economie zou zich aan de rand van de afgrond bevinden en er werden radicale bezuinigingen doorgevoerd. Het kabinet dreigde met een looningreep, waarna het snel tot een vergelijk kwam: het Akkoord van Wassenaar, enkele weken nadat Lubbers-I aantrad, waarbij de vakbonden loonmatiging accepteerden in ruil voor arbeidstijdverkorting en herverdeling van werk. Het kabinet op zijn beurt voerde een korting van drie procent door op uitkeringen en op de salarissen van overheidspersoneel.

Wie meer over Ruud Lubbers wil weten, kan de plichtmatige necrologieën overslaan. Blijkbaar geldt niet altijd dat het beeld van een hooggeplaatst persoon wordt verscherpt naarmate de tijd verstrijkt. Lubbers is gecanoniseerd, zijn wapenfeiten zijn gemythologiseerd. Hij was een groot staatsman, zo gaat vlak na zijn dood de mare in de media. Hij bracht het ‘zieke’ Nederland met zijn drie opeenvolgende kabinetten weer op de been, hij maakte de Nederlandse economie weer gezond.

Boekhoudersimago

‘Afscheid van Ruud Lubbers’ verscheen in 1994 en dit door uitgever Robbert Ammerlaan bezorgde boek is een mer à boire voor wat betreft deze CDA-premier. Bentgenoten, politieke opponenten en journalisten laten hun licht schijnen over de Macher, op het moment dat hij net de politiek heeft verlaten. Het levert een gemêleerd beeld op. De obligate ‘Het ga je goed, Ruud’- bijdragen staan erin, maar ook scherpe analyses van lieden als Frits Bolkestein en Hans van Mierlo. Het journaille, zoals Arendo Joustra en Jan Tromp, laat zich ook niet onbetuigd. Met een beetje goede wil kun je ‘Afscheid van Ruud Lubbers’ een liber amicorum noemen, met de kanttekening dat hij lang niet van iedereen een veer in de kont krijgt.

VVD’er Gijs van Aardenne, minister van Economische Zaken en vicepremier in het eerste kabinet-Lubbers, kenschetst Lubbers in genoemd boek als een minister-president van een no-nonsense kabinet, ‘dat in wezen het VVD-program uitvoerde’. Ook het tweede en derde kabinet-Lubbers, de laatste een coalitie tussen CDA en de PvdA, werd gekenmerkt door diezelfde pragmatische aanpak. Lubbers wist zowel rechtsom als linksom zijn rigide saneringsbeleid door te voeren.

Frits Bolkestein, tijdens kabinet Lubbers-III voorzitter van de VVD-fractie en daarvoor in Lubbers-I staatssecretaris van Defensie en in Lubbers-II minister van Defensie, is in het boek meedogenloos in zijn oordeel over de Macher. Met instemming haalt hij een artikel van de Rotterdamse hoogleraar Eduard Bomhoff aan, waarin deze stelt dat de kabinetten Lubbers-I en Lubbers-II ‘meer staatsschuld hadden opgebouwd dan al hun voorgangers sinds koning Willem I bij elkaar’. Bolkestein: ‘Bomhoffs beschrijving van Ruud Lubbers en Onno Ruding [diens partijgenoot die in Lubbers-I en –II minister van Financiën was] als potverteerders botste met hun zuinige boekhoudersimago zoals dat destijds in de media en de publieke opinie overheerste.’ En dan volgt de mokerslag voor Lubbers: ‘Onze conclusie moet […] zijn dat tien jaren saneringsbeleid te weinig verbetering heeft opgeleverd.’

Bolkestein was ongetwijfeld nogal zurig tegenover het CDA, omdat deze partij tot twee keer toe bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer, in 1986 en in 1989, uit de ruif van de liberalen had gegeten. In aanmerking genomen dat Nederland in de jaren tachtig nog bestond uit een tweestromenland, enerzijds bestaande uit linkse kiezers en anderzijds uit rechtse kiezers die niet per se trouw waren aan een bepaalde partij maar wel aan respectievelijk het linkse en rechtse gedachtegoed, verloor de VVD in 1986 9 zetels aan het CDA en in 1989 nog eens 5 zetels aan deze confessionele partij. In totaal 14 zetels. Dat was de verdienste van Ruud Lubbers, die zijn partij zowel in 1986 als in 1989 voor ging in de verkiezingsstrijd. In beide gevallen bleef de teller steken op maar liefst 54 zetels, een prestatie van formaat.

Waarom stemden zoveel VVD’ers op het CDA? De meest plausibele verklaring is dat CDA’er Ruud Lubbers, zoals VVD’er Gijs van Aardenne hierboven aanvoerde, het VVD-program uitvoerde. Ook meegespeeld zal hebben dat hij zich door zijn functie van minister-president en door zijn doortastende persoonlijkheid scherp profileerde tegenover het rechtse kiezersvolk.

de Volkskrant Ruud LubbersTalloze affaires

Politiek redacteur Arendo Joustra van Elsevier, tegenwoordig hoofdredacteur van Elsevier Weekblad, somt in ‘Afscheid van Ruud Lubbers’ nauwgezet de talloze affaires van ondernemer-politicus Ruud Lubbers tijdens zijn bewind op, waarvan de Koeweit-affaire de belangrijkste was. In deze kwestie behartigde premier Lubbers de belangen van zijn familiebedrijf Hollandia Kloos. Joustra: ‘Lubbers had zichzelf […] veel ellende kunnen besparen als hij bij de aanvang van zijn politieke loopbaan zijn aandelen in Hollandia en andere bedrijven had verkocht.’ Dat deed hij niet en hij kwam ermee weg, hij werd er door de Tweede Kamer niet op afgerekend. Ook dát vermocht de Macher.

‘Hoe slaagde Ruud Lubbers erin conservatieven en vooruitstrevenden, haviken en duiven, harde bezuinigers en sociale vernieuwers allemaal aan zijn voeten te krijgen?’ Dit vraagt Max van Weezel van Vrij Nederland zich af in zijn bijdrage aan de afscheidsbundel. Omdat hij draagkracht voor zijn beleid wist te vinden, tegenstellingen tussen ‘links’ en ‘rechts’ wist te overbruggen. En omdat hij geniaal was in het sleutelen aan compromissen. Lubbers noemde zichzelf een ‘synthetisch denkend mens’. Hier verschijnt het beeld van de ‘mecanicien’ uit het hierboven aangehaalde artikel van Jan Tromp en ‘de meester van het compromis’ in het artikel van Laurens Kok in Het Parool.

Daarbij liet Lubbers nooit het achterste van zijn tong zien, niemand wist wat deze pragmaticus nu echt vond. Ideologische bevlogenheid legde hij niet aan de dag. Hij was en bleef een ‘binnenvetter’, in de woorden van Jan Tromp in de Volkskrant. Een ‘hyperintelligente sfinx’, zoals Mark Kranenburg in NRC Next Lubbers omschreef.

Collectieve voorzieningen

Met al deze etiketteringen is de politicus Ruud Lubbers in mijn ogen nog niet voldoende gewikt en gewogen. Van Aardenne verklaarde dat de premier in diens eerste kabinet een onversneden VVD-program uitvoerde. En volgens mij deed hij dat evenzeer in zijn twee volgende kabinetten. Dus óók in de coalitie met de PvdA, zijn derde kabinet. Nederland zou, aldus Lubbers in 1990, ‘ziek’ zijn geweest in de jaren tachtig. D’66-fractievoorzitter Van Mierlo diende hem in ‘Afscheid van Lubbers’ hierover van repliek. ‘De diagnose moet zijn: maar welke ziekte hebben we dan en waar komt die vandaan? Als het kabinet dat beter had geanalyseerd, dan was ons het hele WAO-conflict bespaard gebleven. Dan had men ingezien dat je niet meteen in die uitkeringen moet gaan snijden, maar eerst een ontmoedigingsbeleid moet voeren.’

De werkgevers verwezen op oneigenlijke gronden veel werknemers naar de WAO. Begin jaren negentig dreigde het aantal WAO’ers zelfs tot één miljoen op te lopen! En wat deed Lubbers? Hij kortte de WAO-uitkeringen en trad niet op tegenover de werkgevers.
Ten tijde van kabinet Lubbers-I werd begonnen met het privatiseren van staatsbedrijven, met achteraf vaak – zo is gebleken – desastreuze gevolgen. Sander Heijne, van wie deze week ‘Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u’ verschijnt, een boek over dertig jaar marktwerking in Nederland, sprak afgelopen zaterdag in de Volkskrant terecht over ‘de onzalige splitsing van NS en ProRail’, ter meerdere eer en glorie van marktwerking op het spoor.

Dat gebeurde vanaf 1995 toen Lubbers al uit de politiek was, maar er werd geoogst wat hij had gezaaid. Heijne: ‘En niet alleen het spoor. Sinds eind jaren tachtig hebben we in Nederland maar liefst 186 overheidsdiensten verzelfstandigd, waaronder NS en ProRail. Daarbovenop zijn nog eens 63 publieke diensten geprivatiseerd. Maar de belofte van goedkoper en beter, werd zelden waargemaakt.’ Hoe dat zo kwam? Omdat, zoals Heijne stelt, niet al onze problemen zich zomaar laten oplossen door de markt of door ondernemers. Het gaat in dit geval om collectieve voorzieningen, zoals de zorg en het onderwijs, die onze welvaart in hoge mate bepalen. Heijne: ‘En precies daarom hebben we een overheid opgericht. Om die zaken voor ons te regelen die de markt heeft laten liggen.’ De zorg en het onderwijs, maar ook andere collectieve voorzieningen, verkeren nu in belabberde omstandigheden. Dankzij het marktmechanisme.

Neoliberalisme

Met name CDA’er Ruud Lubbers zwengelde vanaf begin jaren tachtig het neoliberalisme in Nederland aan. Zijn voorbeelden waren Margaret Thatcher in Engeland en Ronald Reagan in de Verenigde Staten. Tegenwoordig noemen steeds meer mensen dat ‘marktfundamentalisme’. Door het neoliberalisme werd de sturende taak van de overheid in een geleide economie niet onderkend. Voormalig voorzitter van de Eerste Kamer Herman Tjeenk Willink bracht in zijn voordracht ‘De verwaarloosde staat’, zijn Bart Tromp-lezing uit 2013, naar voren: ‘Bijna dertig jaar geleden verklaarde de toenmalige minister-president Lubbers: Nederland is ziek. Om vervolgens de conclusie te trekken dat de overheid terug moest treden. Op het moment dat het gevoel één natie te vormen onder druk kwam te staan – door ontzuiling, immigratie, economische malaise – was de politieke boodschap: op de Staat behoef je niet te rekenen.’

Tjeenk Willink stipte in zijn lezing aan dat dit eigenlijk merkwaardig is, omdat in 1983 – naast de klassieke grondrechten – de sociale grondrechten van kracht werden. Hierin zijn de (kern)verantwoordelijkheden van de overheden geformuleerd. Tjeenk Willink: ‘Het gaat in die sociale grondrechten om voldoende werkgelegenheid en vrije arbeidskeuze, bestaanszekerheid van de bevolking en spreiding van welvaart, de bewoonbaarheid van het land en de verbetering van het leefmilieu, bevordering van volksgezondheid, voldoende woongelegenheid, maatschappelijke en culturele ontplooiing en (natuurlijk) onderwijs. Het was de codificatie van een langjarige gedachtenvorming over de verantwoordelijkheid, het doel, van de Staat.’

De overheid trad terug om ‘de markt haar werk te laten doen’. Dat leidde overigens niet tot het kleiner worden van die overheid, maar een die de markt zoveel mogelijk ging faciliteren. In het bijzonder de financiële markt met zijn ondoorzichtige financiële producten. De gevolgen waren dat gekort werd op de arbeidskosten (loonmatiging) en dat de arbeidsmarkt werd geflexibiliseerd (grote toename van het aantal – rechteloze – flexwerkers, tot 34,8 procent van de werkende bevolking in 2017). Zelfs oud-Philips-topman Jan Timmer moest in een interview afgelopen vrijdag in de Volkskrant het volgende van het hart: ‘De politiek heeft gedacht dat het kapitalisme zichzelf zou kunnen reguleren. Dat is een groteske ontkenning van de menselijke natuur.’ Ondertussen is de kloof tussen vermogenden en armen schrikbarend groot geworden.

Schikken en plooien

Was Ruud Lubbers een uitmuntend politicus? Hoort hij, zoals dagblad Trouw afgelopen donderdag in het hoofdcommentaar stelde ‘met recht en rede in het rijtje grote premiers van Ruijs de Beerenbroeck, Colijn en Drees’? Als overlevingskunstenaar in de politiek kunnen we hem inderdaad vergelijken met Colijn, maar niet met Drees. Deze PvdA-premier bouwde de verzorgingsstaat op, Lubbers brak hem af. Net als Colijn was Lubbers een ondernemer in de politiek. Hij was geen bevlogen politicus, maar zoals gezegd een pragmaticus. Inderdaad, een Macher. En als zodanig een technocraat, een manager. Hij had niets van de bezieling die aan Den Uyl kleefde.

Volgens Kees Lunshof, destijds politiek redacteur van De Telegraaf, in ‘Afscheid van Lubbers’ is Lubbers daarentegen ‘een van de betere politici die ons land heeft gekend. In het schikken en plooien, wat een premier moet doen om dit land van politieke minderheden bestuurbaar te houden en te voorkomen dat er om de dag een crisis is, is Lubbers een meester’. En gezegd moet worden, daar heeft hij wel een punt. Nederland is een land van politieke minderheden, ten tijde van de verzuiling en tegenwoordig in het gefragmenteerde politieke landschap nog veel meer. Dan heb je een bovenbaas nodig die tegenstellingen kan slechten. En daartoe was Lubbers in staat, ook al deed hij dat in ondoorgrondelijke mirakeltaal en met behulp van een keur aan raadadviseurs.

Laat ik ten slotte Jan Tromp aanhalen. Niet de Jan Tromp van het recente artikel ‘Macher, mecanicien, binnenvetter en verliezer’, maar de gemelijker Jan Tromp van ‘Het dossier’, in zijn bijdrage aan ‘Afscheid van Ruud Lubbers’: ‘Het tijdperk-Lubbers is het tijdperk geweest van het lage profiel, van de koele zakelijkheid, van het dossier als politiek manifest. Misschien was het de enige methode om een aantal belangrijke maatschappelijke vraagstukken enigszins beheersbaar te krijgen.’ […] Hoe het ook zij, de prijs die is betaald voor het pragmatisme van de drie kabinetten-Lubbers lijkt hoog. Het heeft uiteindelijk veel burgers vervreemd van de politiek. De afstandelijke no-nonsense benadering heeft het vertrouwen in de mobiliserende kracht van de politiek ondermijnd, het monisme tussen kabinet en regeringspartijen heeft het respect voor het vak van politicus kapot gemaakt.’

Parool Ruud LubbersDepolitisering van de politiek

De technocratische benadering van politiek bedrijven, meesterlijk bedreven door Lubbers, heeft geleid tot depolitisering van de politiek. Ook de overheid profileert zich nu als bedrijf, bevolkt door managers en technocraten. Ondernemer-politicus Ruud Lubbers spreidde geen visie op de verzorgingsstaat ten toon. Bezuinigen op overheidstaken en uitkeringen was zijn mantra. Liever stootte hij overheidstaken af, terwijl ze zich als collectieve voorzieningen gewoonweg niet leenden voor het commercieel uitbaten. Hij was wars van een keyniaanse beleidspolitiek, waarbij de overheid juist in tijden van crises voortvarend nieuwe projecten ter hand neemt om het schip van de economie vlot te trekken. Hij onderkende niet dat daar een stimulerende werking van uit kan gaan. Hij zag niet in dat, zoals Keynes in ‘The General Theory of Employment, Interest and Money’ (1936) aanvoerde, uitkeringen niet alleen uitgaven zijn maar tevens leiden tot consumptieve bestedingen die de economische groei stimuleren.

Anders gezegd, er was in de jaren tachtig van overheidswege heus een ander economisch beleid mogelijk geweest. Lubbers wordt in de necrologieën op het schild geheven, maar te weinig wordt ingezien dat de Nederlandse economie op een effectievere manier gestimuleerd had kunnen worden. En dan heb ik het nog niet eens over het gegeven dat ons land een open economie heeft, zeer gevoelig voor conjuncturele schommelingen op het internationale vlak. ‘Nederland deint mee op golven van Duitse economie’, stond in 1992 boven een artikel in NRC Handelsblad. Verslaggever Maarten Schinkel stelde hierin vast: ‘Sinds 1980 is de relatie tussen de Duitse en Nederlandse economische groei vrijwel volmaakt.’

Neoliberaal beleid

Ruud Lubbers kwam uit een ondernemersfamilie en de belangen van ondernemers heeft hij van meet af aan gediend. Dat is eveneens de taakopvatting van de huidige VVD-premier Mark Rutte. In feite baande Ruud Lubbers de weg voor Mark Rutte, want het neoliberalisme dat de eerste in Nederland introduceerde viel bij de tweede in goede aarde. Zeg maar gerust als Gods woord in een ouderling. Het beleid van de kabinetten-Rutte wordt ingegeven door het neoliberalisme. Daarom kreeg de PvdA na deelname aan het kabinet Rutte-II zo’n enorme afstraffing van de kiezers die deze partij in de nieuwe eeuw, na de komst van Pim Fortuyn, toch trouw waren gebleven. De sociaaldemocratische partij kelderde in 2017 van 38 naar 9 zetels. Maar de PvdA was al in de jaren negentig besmet geraakt door het virus van het neoliberalisme. Wim Kok, die minister van Financiën was in het kabinet Lubbers-III, verkondigde namelijk in zijn Den Uyl-lezing in 1995 dat zijn partij ‘haar ideologische veren moest afschudden’. Preciezer gezegd, de PvdA moest opschuiven naar het politieke midden. Richting VVD en CDA, die zich aan de rechterzijde van het politieke spectrum positioneerden.

De beoogde afschaffing van de dividendbelasting voor bedrijven is een recent voorbeeld van het neoliberale beleid van Rutte-III. Terwijl, om maar eens wat te noemen, burgers in de provincie Groningen door de overheid in de steek zijn gelaten. Dat aardbevingen hun huizen beschadigden door gaswinning werd jarenlang straal genegeerd. Ook Mark Rutte is een manager, een technocraat, een bovenbaas die vanuit het Torentje onderhands graag van alles regelt en ritselt; de Tweede Kamer heeft als controlerend gremium daardoor meer dan eens het nakijken. Lubbers is de leermeester van Rutte.

Behalve een Macher, mecanicien en binnenvetter was Lubbers een verliezer, een ‘loser’. En dan niet alleen in de betekenis die Jan Tromp er in zijn necrologie aan geeft: dat hij na zijn politieke carrière in Nederland tot tweemaal toe een vooraanstaande internationale functie aan zijn neus voorbij zag gaan en dat hij voortijdig het veld moest ruimen als eerste man bij de vluchtelingenorganisatie UNHCR. Hij was ook een verliezer, omdat hij als politicus door de mand viel. De politieke erfenis die hij naliet, is daarvan het bewijs. Het politieke bedrijf heeft de laatste decennia een slecht imago gekregen; de burgers zijn te vaak in de steek gelaten. Het (groot)kapitaal kreeg alle ruimte. De ironie is daarom dat de man die tijdens zijn langdurig bewind ogenschijnlijk tegenstellingen wist te overbruggen ons een gepolariseerde samenleving heeft nagelaten.

‘Afscheid van Ruud Lubbers.’ Onder redactie van Robbert Ammerlaan. 372 blz. Uitgeverij Anthos. Baarn 1994.Boek 'Afscheid van Ruud Lubbers'

Jelle Jeensma

Schrijver Jelle Jeensma

Als journalist publiceerde ik over uiteenlopende onderwerpen, maar vooral over film, literatuur en onderwijs. Ik redigeerde boeken, tijdschriften, brochures en artikelen. Van diverse filmbladen en universiteitsbladen was ik hoofd- of eindredacteur. Bij een dagblad was ik chef kunst. Als freelancer werkte ik voor verschillende journalistenbureaus. Als ghostwriter kroop ik in de huid van anderen en schreef ik zowel persoonlijke als zakelijke stukken.

Bekijk de essays van Jelle Jeensma

Reageer ook 2 reacties

  • Bob Lagaaij schreef:

    Wat me in alle lofzangen op Ruud Lubbers (ik zonder deze beschouwing, die zich dan ook niet in dat knapenkoor voegt, graag uit) een beetje – en meer dan een beetje – stoort, was het verengen van politiek en bestuur tot de verdiensten of het falen van één man. Nederland dobberde, zoals nu, in veel opzichten mee op een zee van zakelijkheid, globalisering, privatiseringsdrift en politiek als procesmanagement. Lubbers en zijn opvolgers deden en doen aan ‘fine tuning’, zoals in vrijwel alle zwaar vermoeide democratische samenlevingen. Hoorde je in zijn gloriedagen en daarna niet regelmatig zeggen, dat ”Nederland eigenlijk af was”? Daar plukken heel wat mensen nu de wrange vruchten van. Ik wens u boeiende tijden toe, zeggen ze in China.

  • Ik zou weleens willen weten door welke oorzaken Lubbers zoveel politieke ruimte kreeg van de media?

Uw reactie

%d bloggers liken dit: