Skip to main content
Embleem van de Nederlandse T-brigade.

Op 17 februari verschijnt de samenvatting van het breed opgezette onderzoek naar het buitensporige geweld gedurende de periode 1945-1949 in het door Nederland gekoloniseerde Indonesië. De gewelddadigheid in de eerste vijf jaar na de Tweede Wereldoorlog stond niet op zichzelf. Te hopen valt dat binnen dit onderzoek het vizier mede wordt gericht op eerder door de kolonisator gepleegde oorlogsmisdaden in de Indonesische archipel. Een aantal recente boekpublicaties verheldert de aard ervan.

Het was klokkenluider Joop Hueting die in 1969 het zwijgen doorbrak. Als militair was hij betrokken bij oorlogsmisdaden begaan door het Nederlandse leger tijdens de zogenaamde politionele acties. Op televisie legde hij daarvan getuigenis af. Het zorgde voor een hoop ophef in de samenleving. Hueting werd fel aangevallen, vooral door veteranen. De Telegraaf liet zich evenmin onbetuigd. Die krant kopte: ‘Zinloos en misselijk.’ Maar hij kreeg ook bijval van veteranen die zich door dezelfde – door hen verzwegen – ervaringen jarenlang geprangd voelden. Huetings bekentenis mondde enkele maanden later uit in de Excessennota. De uitkomst daarvan luidde dat er slechts incidenten plaatsgevonden zouden hebben en dat de koloniale krijgsmacht zich voor het overige in Indonesië correct zou hebben gedragen. Het maatschappelijk debat verstomde. Tot op de dag van vandaag wordt deze regeringsopvatting gehuldigd. 

Steen in de vijver

Er ging bijna een halve eeuw voorbij voordat er weer een steen in de spreekwoordelijke vijver werd gegooid. Nu door de Zwitserse historicus Rémy Limpach. Limpachs omvangrijke boek, met de veelzeggende titel Die brennenden Dörfer des General Spoor. Niederländische Massengewalt im Indonesischen Unabhängigkeitskrieg 1945-1949, wierp een nieuw licht op de rol van het Nederlandse leger in Indonesië. Het proefschrift uit 2015 kreeg het jaar daarop een Nederlandse vertaling, De brandende kampongs van Generaal Spoor. Later, in 2020, volgde een beknopte versie, Brandende kampongs, toegankelijk voor een breed publiek. Limpach zegt daarin onomwonden: “Uit dit proefschrift komen als belangrijkste conclusies naar voren dat de Nederlandse krijgsmacht structureel extreem geweld toepaste tijdens de oorlog met de Republiek Indonesië en dat zowel militaire als burgerlijke autoriteiten dit geweld gedoogden en verhulden.”

Limpachs publicatie bevat vijf casestudy’s, zoals die over de massamoord in Zuid-Celebes (het huidige Zuid-Sulawesi) in 1946 en in 1947 op minstens 3.500 Indonesische mannen door de speciale troepen van kapitein Raymond Westerling. Een andere casestudy gaat over het bloedbad van Rawagede (het huidige Balonsari op West-Java) in 1947 waarbij bijna de gehele manlijke bevolking, 431 mannen, door Nederlandse militairen werd vermoord. In 2011 kende de Haagse rechter enkele weduwen uit Balonsari die een zaak waren begonnen een schadevergoeding toe. 

De vervolgstudie, die na publicatie van de Excessennota in 1969 was beloofd, bleef uit. Pas in 2016 werd aan drie gerenommeerde instituten de opdracht verstrekt het geweld in Indonesië gedurende de periode tussen 1945 en 1950 nader te onderzoeken: het NIOD (NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies), het NIMH (Nederlands Instituut voor Militaire Historie) en het KITLV (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde). Hun gezamenlijk onderzoeksprogramma heeft als titel Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950. De samenvatting van het breed opgezette onderzoek, met als titel Over de grens, wordt op 17 februari openbaar gemaakt. Het onderzoek wordt afgerond met maar liefst twaalf delen, die later worden gepubliceerd.

‘Oral history’

In de aanloop naar deze komende publicaties is op vele manieren aandacht besteed aan de voormalige kolonie Indonesië, beter bekend als Nederlands-Indië. Vorige week werd de spraakmakende tentoonstelling Revolutie! in het Amsterdamse Rijksmuseum geopend. Aan de hand van verhalen van ooggetuigen van beide kanten wordt de dekolonisatie van Indonesië in de jaren 1945-1949 in beeld gebracht. In 2021 kwam het drukbezochte oorlogsdrama De Oost van regisseur Jim Taihuttu uit. Centraal in de film staat, naar de werkelijkheid, het personage van legerkapitein Raymond Westerling, die zich te buiten gaat aan het afbranden van kampongs, standrechtelijke executies en martelpraktijken. 

Er is veel oral history, niet alleen in de tentoonstelling van het Rijks, maar ook in de vierdelige documentaireserie Onze Jongens op Java van Coen Verbraak over Indië-veteranen, die eind 2019 op televisie werd uitgezonden. Verbraak interviewde onder anderen Joop Hueting. Het was Huetings laatste interview over zijn ervaringen tijdens de onafhankelijkheidsoorlog van Indonesië; niet lang daarna overleed hij. Al vier jaar eerder tekende Hylke Speerstra in het interviewboek Op klompen door de Odessa de verhalen op van een aantal Friese Indië-veteranen. 

Duidelijk is inmiddels dat het koloniale geweld in Indonesië gedurende drie-en-halve eeuw veelvuldig voorkwam. Piet Hagen toonde dat in zijn doorwrochte studie Koloniale oorlogen in Indonesië (2018) aan. Hij inventariseerde dat er in de Indonesische archipel door landen als Nederland, Portugal en Spanje meer dan vijfhonderd koloniale oorlogen zijn uitgevochten of militaire expedities op touw zijn gezet. 

“Er ligt een roofstaat aan de zee, tussen Oostfriesland en de Schelde”, sprak Multatuli aan het slot van zijn roman Max Havelaar (1860). En dat is geheel conform het adagium waarmee Nederland eeuwenlang zijn koloniën exploiteerde. Oorlog plaveit de weg naar handel.

VOC-mentaliteit

Door de jaren heen is uitvoerig over de relatie tussen Nederland en Indonesië geschreven, zowel in journalistieke als wetenschappelijke publicaties. Het is niet minder dan een mer à boire. Ik behandel op deze plaats enkele recente boeken, bestemd voor een breder publiek.

In 2006 deed voormalig minister-president Jan Peter Balkenende in de Tweede Kamer een beroep op de ‘VOC-mentaliteit’ als aansporing voor nieuw elan. “Nederland kan het weer!”, aldus de premier. Dit wordt gememoreerd in Banda – De genocide van Jan Pieterszoon Coen van Marjolein van Pagee. Zij wijst erop dat de Vereenigde Oostindische Compagnie, opgericht in 1602, weliswaar een handelsbedrijf was maar werd gefaciliteerd door de Staten-Generaal in de Nederlandse Republiek. Het bedrijf kreeg een monopoliepositie toebedeeld, wat niet alleen inhield dat de VOC gerechtigd was om als enige handel te drijven in Azië maar daar eveneens oorlog mocht voeren, verdragen sluiten, eigen munten slaan en rechtspreken. Namens de VOC wist Jan Pieterszoon Coen het monopolie op nootmuskaat, in die dagen een specerij met zeer hoge marktwaarde, te verkrijgen. 

Nootmuskaat werd verbouwd op de Banda-eilanden, die deel uitmaken van de Molukken. Het ging in dit geval om tien vulkanische eilandjes van nog geen 172 vierkante kilometer (de Waddeneilanden zijn bijna tweeënhalf keer zo groot). In 1621 liet Coen – vanaf 1616 gouverneur-generaal van de VOC – de moslimbevolking van Banda vermoorden, verdrijven of tot slaaf maken. De Bandanese leiders werden op gruwelijke wijze omgebracht: onthoofd of gevierendeeld. Slaafgemaakten namen de plaats in van de oorspronkelijke bevolking om op de nootmuskaatplantages te werken. In het jaar na de genocide, de ontvolking van Banda, schreef Jan Pieterszoon Coen over kolonisatie: “Hiertoe is niet anders nodig dan dat de plaats redelijk bevolkt is, van slaven wel voorzien, dat er politie en orde wordt gesteld.” 

Volgens Matthias van Rossum, als onderzoeker verbonden aan het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis werden er naar schatting 660 duizend tot 1,1 miljoen slaafgemaakten naar VOC-gebieden vervoerd (de Volkskrant, 7 mei 2021). Daarom is het Aziatische slavernijverleden een niet weg te denken deel van de koloniale geschiedenis.

Harde cijfers over hoeveel mannen, vrouwen, kinderen op Banda om het leven werden gebracht zijn er niet, maar als er in totaal vijftienduizend Bandanezen zijn vermoord, komt dat niet alleen op het conto van Coen maar evenzo op dat van andere VOC-officieren. 

Over Jan Pieterszoon Coen loopt al enige tijd een openbaar debat: moeten zijn standbeelden, zoals dat in Hoorn, omver worden gehaald omdat hij geen nationale held maar een oorlogsmisdadiger was? Pagee stelt dat het hier niet ging om een incident, al was het een exces, maar om genocide als onderdeel van een onderdrukkingssysteem waarbij de bezetting onrechtmatig was. Coen was daarin een vooruitgeschoven pion die in opdracht handelde van de Heeren Zeventien die het VOC-bestuur vormden. 

Coen wist zich geruggensteund door zijn meerderen en de politieke leiders in het thuisland, aldus Pagee. De VOC op zijn beurt wist zich gedekt door de Staten-Generaal. En die kreeg een legitimatie voor het nietsontziende optreden van Hugo de Groot. Die was niet alleen grondlegger van het internationale recht, maar hij rechtvaardigde bovendien koloniale wreedheden. Pagee: “Hoewel hij betoogde dat ieder mens volgens het natuurrecht dezelfde rechten had, zag hij alle niet-Europese volken als onderontwikkeld en dus minderwaardig.” De Groot was ‘de architect van het koloniale verhaal’, omdat hij – die als rechtsgeleerde diensten verleende aan de VOC – een rechtvaardiging gaf voor de misdaden die in naam van de VOC werden begaan. Net als Coen verwees De Groot naar het christelijk geloof en het toe-eigenen van producten elders in de wereld zou God beschouwen als iets wat noodzakelijk is.

Jan Peter Balkenende verheerlijkte met zijn uitroep ‘Die VOC-mentaliteit!’ het koloniale verleden, zonder oog te hebben voor de gewelddadige kant ervan.

Gevecht tussen buffel en tijger

Nederlanders hebben door de eeuwen heen huisgehouden in hun kolonie Nederlands-Indië. Met militaire middelen werd continu economische exploitatie veiliggesteld. Het werk op de plantages werd verricht door dwangarbeiders of slaafgemaakten. Na het bloedbad op de Banda-eilanden zijn er andere momenten in de koloniale geschiedenis waarin Nederland zich te buiten ging aan extreem geweld: de Java-oorlog in het begin van de negentiende eeuw, de Atjeh-oorlog aan het einde van die eeuw, en de twee zogenaamde politonele acties na de Tweede Wereldoorlog. In De wraak van Diponegoro – Begin en einde van Nederlands-Indië beschrijft Martin Bossenbroek de Java-oorlog (1825-1830) en de dekolonisatieoorlog (1945-1949) aan de hand van vier hoofdrolspelers die twee aan twee tegenover elkaar staan. 

In de Java-oorlog waren dat generaal Hendrik de Kock en prins Diponegoro, die in opstand kwam tegen de Nederlandse overheersers. Uiteindelijk won de Nederlander met zijn leger van de inlandse aanhang van de Javaan. Hij arresteerde Diponegoro door hem achterbaks in de val te lokken. Het oorlogsgeweld leidde tot epidemieën en hongersnood waaraan naar schatting 200 duizend Javanen bezweken. Midden-Java werd getekend door grote verwoestingen. Diponegoro, een diep gelovige moslim, groeide in de loop der tijd uit tot een mythologische held. Al had hij de opstand tegen de overheersers verloren, zijn strijdbaarheid werd een voorbeeld voor veel van zijn landgenoten. 

Zo ook, aldus Bossenbroek, voor Soekarno, de nationalistische leider die Indonesië naar de onafhankelijkheid zou leiden. De opponent van Soekarno was Huib van Mook, evenals De Kock een eeuw eerder, aangesteld als luitenant-gouverneur-generaal. Hij was geboren in de  Javaanse plaats Semarang en was lange tijd begaan met de Indonesische bevolking. Hij was voorstander van de ethische politiek, die inhield dat er meer moest worden geïnvesteerd in onderwijs, infrastructuur en gezondheidszorg. Van Mook was voorstander van een federaal Indonesië dat deel zou moeten uitmaken van een unie waarin alle Nederlandse koloniën verenigd waren en waarbinnen Nederland de scepter zou zwaaien. Gaandeweg ontpopte hij zich in de jaren veertig  van de vorige eeuw als voorstander van de genoemde politionele acties. Dit waren zuiveringsacties die gepaard gingen met het afbranden van kampongs, het doodschieten van dorpelingen, het martelen van gevangenen en het uitvoeren van executies zonder enige vorm van proces. Van Mook gedoogde dat om de kolonie te kunnen behouden. Zijn tegenstrever Soekarno werd meermaals door het Nederlandse regime gevangengenomen en verbannen, maar kwam uiteindelijk als winnaar uit de bus. Van Mook ruimde in 1948 roemloos het veld: hij werd uit zijn functie gezet.

Aan de hand van deze vier winnaars en verliezers – De Kock versus Diponegoro en Soekarno versus Van Mook – onderzoekt Bossenbroek twee belangrijke episoden. Dat doet hij op meeslepende wijze. Zijn bijna zevenhonderd pagina’s tellende boek is een heuse pageturner. Bossenbroek bedrijft narratieve geschiedschrijving en hij is een rasverteller. Een willekeurige passage: “Zwerven was Diponegoro’s tweede natuur. Dat deed hij al van jongs af aan, soms wekenlang. Maar leidinggeven aan een volksopstand, rondtrekken met honderden, ja duizenden aanhangers die moesten worden gevoed, bewapend, geoefend en gemotiveerd, dat was nieuw. Daarvoor kwam iets heel anders kijken dan vasten, bidden en mediteren. Dat vereiste denken, handelen, optreden. Om de Hollanders en hun handlangers te verslaan had hij geld, voedsel en wapens nodig, maar ook een strijdplan, een organisatie, een verbindend ideaal.” Bossenbroek verplaatst zich in de hoofdpersonen die de loop van de geschiedenis hebben beïnvloed. Daarbij neemt hij wetenschappelijk onderzoek als leidraad. Toch wringt er iets. Wanneer wij als lezer getuige zijn van de innerlijke roerselen van historische personen neigt dat in mijn ogen naar het creëren van een vie romancée.

Het gevecht tussen kolonialen en gekoloniseerden stelt Bossenbroek voor als het ceremoniële gevecht tussen de tijger en de buffel; iets wat in de tijd van Diponegoro gangbaar was. Diponogero staat voor de buffel die het onderspit delft tegen De Kock, die de tijger representeert. Maar dat gevecht kreeg een vervolg. Soekarno, groot bewonderaar van Diponegoro, brengt uiteindelijk zijn tegenstander Van Mook de nederlaag toe. Dat deed hij als de Banteng Besar Indonesia, de Grote Buffel van Indonesië. Nederlanders waren zich blijkbaar ook bewust van deze symboliek. Zo had een brigade van het Nederlandse leger op Midden-Java de tijgerkop als embleem: symbool van kracht. De expositie Revolusie! in het Rijksmuseum toont er een afbeelding van.

Koloniale pakketboot

De brandende kampongs van Generaal Spoor van de Zwitser Rémy Limpach baarde bij verschijnen veel opzien en hetzelfde kan worden gezegd van Revolusi – Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld van de Belg David van Reybrouck. Voor een tweede keer was het een buitenlander die aan de bel trok en het Nederlands optreden in Nederlands-Indië in de publiciteit bracht. Van Reybrouck combineert secundaire literatuur met  talrijke interviews. Het zijn uiteenlopende ooggetuigen van het Indonesische dekolonisatieproces, waarvan de meesten inmiddels zijn overleden. Van Reybrouck was er op tijd bij om hun getuigenissen op te tekenen. Hij reisde ervoor naar Indonesië, Japan, Nepal, maar net zo goed naar Callantsoog in Noord-Holland. Daarom zegt Van Reybrouck terecht dat er in zijn boek vele stemmen doorklinken. Net als Bossenbroek is Van Reybrouck een begenadigd verteller, wat het lezen van zijn meer dan vijfhonderd tellende boek tot een aangename bezigheid maakt.

Van Reybrouck ambieert een overzicht te schetsen van de Nederlandse kolonisatie van de Indonesische archipel, die uit meer dan 16 duizend eilanden bestaat. Zijn startpunt is de stichting van een handelspost op Ambon in 1605. En dat ligt voor de hand, want in 1602 werd de Vereenigde Oostindische Compagnie opgericht, de particuliere Nederlandse handelsonderneming die van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het monopolie kreeg op  de overzeese handel richting het oosten. Die ging in 1800 ter ziele en koning Willem I maakte er een privéonderneming van. Het Cultuurstelsel dat in 1830 werd ingevoerd, verplichtte boeren producten te verbouwen die voor Nederland lucratief waren (koffie, thee, indigo en suiker). De boeren moesten deze nieuwe, arbeidsintensieve producten tegen een te lage prijs leveren aan de Nederlandse Handel Maatschappij, waarvan Willem I grootaandeelhouder was. Na 1848 werd de Nederlandse staat de actor die de Indonesische kolonie, ten behoeve van winstmaximalisatie, op efficiënte wijze trachtte te exploiteren. Tot eind negentiende eeuw bezette de Nederlandse kolonisator overigens hoofdzakelijk kuststroken van het uitgebreide eilandenrijk. Pas na de Atjeh-oorlog (Van Reybrouck hanteert de Indonesische spelling: Aceh) die begon in 1873 en eindigde in 1914, werd de hele kolonie door Nederland beheerst. Hoewel het ondoordringbare binnenland van Nieuw-Guinea terra incognita bleef. Het onafhankelijke sultanaat Atjeh weigerde zich te onderwerpen en in de oorlog die volgde, lieten – door belegeringen, veldtochten en strafexpedities op instigatie van gouverneur-generaal Jo van Heutsz – meer dan 100 duizend mensen het leven. Het KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indische leger, speelde daarbij een doorslaggevende rol. Het KNIL, dat bestond van 1814 tot 1950 en gemêleerd van samenstelling was (veel Molukkers maakten er deel van uit), zou later ook in de kolonisatieoorlog worden ingezet.

Van Reybrouck beperkt zich echter niet tot deze episode. In navolging van andere auteurs over het dekolonisatieproces in Indonesië legt hij de nadruk op de ontwikkelingen in de twintigste eeuw. Gebruikte Bossenbroek de ceremoniële strijd tussen de buffel en de tijger om zijn verhaal te vertellen, Van Reybrouck doet dat aan de hand van de metafoor van de koloniale pakketboot. Volgens hem is de pakketboot de beste samenvatting van de koloniale samenleving bestaande uit verschillende sociale klassen. Europeanen bevolkten het bovenste eerste dek, van alle comfort voorzien. Het tussendek was iets minder comfortabel en daar scheepten onder anderen Chinese handelaren en Indische Nederlanders in. Op het eerste en tweede dek bevonden zich de hutten. Op het derde, onderste dek zat de arme Indonesische bevolking. Die had slechts de beschikking over een plekje in de open lucht, blootgesteld aan de elementen.

Opvallend is de invalshoek die Van Reybrouck kiest. Hij wil weg van de ‘vaderlandse’ geschiedenis waarin de natiestaat het referentiepunt vormt. Van Reybrouck: “De tijd is rijp om die nationale focus los te laten en de globale dimensie van het dekolonisatieproces te zien.” De nationale geschiedenis dient in internationaal perspectief bezien te worden. Keerpunt in het dekolonisatieproces is de invasie door Japan in 1942 van Nederlands-Indië. Japan voerde oorlog in China en had broodnodig olie nodig voor zijn militaire operaties in dat land. Al enige tijd werd zodoende de blik gericht op Indonesië, de belangrijkste olieproducent van Azië. Als Van Reybrouck de stokoude oorlogsveteraan Ryuichi in Japan opzoekt, zegt deze klip en klaar: “In de eerste plaats viel het Japanse leger Indonesië binnen voor de olie.” Was het nootmuskaat in de zeventiende eeuw van grote waarde, dat gold voor olie in de twintigste eeuw. Voor het veiligstellen van handelsbehandelingen was alles geoorloofd. Officier Hendrik Colijn schrijft naar aanleiding van de strijd op Lombok in 1894 in een brief naar huis: “Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten, en zo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.” 

Ter aanvulling op wat Van Reybrouck naar voren brengt: Colijn was van 1914 tot 1922 directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij, een dochteronderneming van Shell die in Nederlands-Indië op grote schaal naar olie boorde. Later zou Colijn, die de bijnaam ‘de olieman’ kreeg, zijn politieke invloed aanwenden om de Bataafsche zo min mogelijk belasting te laten betalen. Namens de ARP, Anti-Revolutionaire Partij, was Colijn in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw van maar liefst vijf kabinetten minister-president van Nederland. Het toont de verwevenheid aan tussen particulier belang en staatsbelang, zoals dat gold voor de VOC en de Staten-Generaal in de zeventiende eeuw.

Revolusi draagt niet voor niets de ondertitel Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld. Dit land was het eerste dat door eigen inspanning (en door internationale druk) na de Tweede Wereldoorlog zijn onafhankelijkheid verkreeg. Daardoor had de Indonesische revolutie een enorme impact. In 1955 vond in Bandung een conferentie plaats van Aziatische en Afrikaanse landen die pas onafhankelijk waren geworden. President Soekarno was er gastheer. Die conferentie gaf een impuls, met de Indonesische revolutie als uitgelezen voorbeeld, aan onafhankelijkheidsbewegingen in landen die nog onder het juk van het kolonialisme zuchten. De spirit of Bandung verspreidde zich over de hele wereld, aldus Van Reybrouck. Indonesië stond daardoor in de jaren vijftig centraal op de wereldkaart. 

‘Zeer geheim’

Nederlandse historici die over Indonesië schrijven, hebben de neiging zich vooral te richten op Java, het economische en politieke zwaartepunt van het Indonesische eilandenrijk. En als het om het aanwijzen van gewelddadigheden gaat wordt, naast Java, meestal Zuid-Sulawesi genoemd, waar kapitein Westerling met zijn speciale troepen zuiveringsacties doorvoerde. Maar Anne-Lot Hoek bewijst in een vuistdik boek, getiteld De strijd om Bali – Imperialisme, verzet en onafhankelijkheid 1846-1950 dat het Nederlands gezag zich eveneens op een eiland als Bali toelegde op stelselmatige executies en martelingen. Kloek: “In Nederlands-Indië, en op Bali, werd […] een full swing politiestaat gerund.”

Net als Van Reybrouck in Revolusi verbindt Hoek grondig onderzoek aan interviews met veel ooggetuigen. De auteurs begeven zich op het raakvlak van wetenschap en journalistiek. En hoewel Hoek niet zo lenig schrijft als Van Reybrouck is de inhoud van haar boek belangwekkend. Bali werd altijd (en nog steeds) afgeschilderd als een vriendelijk en geweldloos eiland. Toeristen waanden zich er in het paradijs. Hoek sprak met oud-militairen en nabestaanden. Daarnaast raadpleegde zij (ongepubliceerde) memoires van zowel Balinezen als Nederlanders. Wat boven water kwam, is dat in zo’n vijftig tangsi’s – geheime interneringskampen – gevangenen op systematische wijze werden gemarteld en geëxecuteerd. Medio 1947, ruim een jaar voor de eerste politionele actie, zaten er ongeveer 10 duizend mensen opgesloten in dergelijke tangsi’s. Voormalig KNIL-soldaat Don Sweebe brengt in een interview naar voren dat gevangenen gemaand werden om buiten te urineren: “Ga maar een plasje doen, zeg je dan, en dan knal je hem neer. Klaar.” Hetzelfde verhaal over ‘een plasje doen’ ten tijde van de politionele acties vertelde Joop Hueting in 1969 in het televisieprogramma Achter het nieuws. ‘Op de vlucht neergeschoten’, werd dan vermeld in een verslag. In de rug. Maar dat stond er niet in.

Lange tijd zijn oorlogsmisdaden begaan door Nederlandse militairen onder het tapijt geveegd. Daarover verhaalt Maurice Swirc in De Indische doofpot – Waarom Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië nooit zijn vervolgd. Ook al zo’n kloek boek, dat recent uitkwam, geschreven vanuit een historisch-juridische invalshoek. Swirc kwam tijdens onderzoek documenten tegen met de status ‘zeer geheim’. Daaruit blijkt dat de Nederlandse regering en de militaire leiding weet hadden van gepleegde oorlogsmisdaden, maar opeenvolgende nota’s hierover wegstopten. Bewijsmateriaal werd vernietigd en onafhankelijk onderzoek gedwarsboomd. Militairen die oorlogsmisdaden hadden meegemaakt of zelf dader waren geweest en hun hart hierover wilden luchten, werden gedwarsboomd. 

In het televisieprogramma OP1 van 7 februari deed Swirc het voorkomen, vast onbedoeld, alsof hij ontdekt had dat oorlogsmisdaden gepleegd in Nederlands-Indië gevrijwaard werden van vervolging. Groot nieuws. Maar dat klopt niet. Misschien is het in de vergetelheid geraakt, maar David van Reybrouck rakelde het al op. Remy Limpach wees er in Brandende kampongs eveneens op hoe het juridische apparaat in Nederlands-Indië en het binnenlandse bestuur meewerkten om dit geweld te maskeren. Bij wet werd vastgelegd dat oorlogsmisdaden gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog niet konden verjaren. Maar de Verjaringswet uit 1971 voorkwam dat dit gold voor oorlogsmisdaden in Indonesië; daders konden niet strafrechtelijk vervolgd worden.

Swirc beschrijft haarfijn in De Indische doofpot hoe opeenvolgende regeringen alles in het werk stelden om te doen voorkomen dat er slechts sprake is geweest van ‘incidenten’. De genoemde Excessennota uit 1969 getuigde daarvan. Achteraf kun je zeggen dat de auteur van deze nota, historicus Cees Fasseur die destijds als ambtenaar aan het ministerie van Justitie was verbonden, aan de leiband van de toenmalige regering heeft gelopen.

Mirakel 

Het laatste boek dat slechts enkele dagen voor het komende onderzoeksrapport Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950 uitkwam, vers van de pers dus, is Merdeka – De strijd om de Indonesische onafhankelijkheid en de ongewisse opkomst van de republiek 1945-1950 van de Indonesië-experts Henk Schulte Nordholt en Harry Poeze. Die onderscheiden zich van de voorafgaande auteurs doordat zij niet al te gedetailleerd ingaan op gepleegde gewelddadigheden. Hun beweegreden hiervoor is het komende onderzoeksrapport van de drie instituten waarin het geweld uitgebreid aan bod komt. 

Schulte Nordholt en Poeze houden zich als onderzoekers al lange tijd bezig met Indonesië en hebben er veelvuldig over gepubliceerd. Voordeel is dat zij de taal van het land, Bahasa Indonesia, beheersen. Daardoor hebben ze direct toegang tot primaire Indonesische bronnen. De auteurs hebben er voor gekozen om meer vanuit het Indonesische perspectief de politiek-maatschappelijke gebeurtenissen in de periode 1945-1950 te belichten. Opvallend verschil tussen de benadering van Nederlandse en Indonesische historici is dat de Nederlandse belangstelling vooral uitgaat naar het koloniale verleden en de dekolonisatie. De boeken die ik hiervoor de revue heb laten passeren, zijn daarop geen uitzondering. In de Indonesische geschiedschrijving vormt, aldus de auteurs, de strijd om de onafhankelijkheid ‘het glorieuze fundament waarop de natiestaat werd gevestigd’. 

Overigens was het beslist niet zo dat de chaotische periode tussen 1945 en 1949 alleen maar door oorlogsvoering tussen kolonisator en gekoloniseerden werd gekenmerkt. Er werd daarnaast met diplomatieke middelen getracht om tot een vergelijk te komen. Het Akkoord van Linggadjati uit 1946 en de Renville-overeenkomst in 1948 zijn daar de (tijdelijke) resultaten van. 

De aanduiding ‘politionele acties’, de eerste duurde zes maanden en de tweede acht maanden, suggereert dat het ging om een binnenlandse aangelegenheid van Nederland. Maar ondertussen voltrok zich een regelrechte oorlog tussen Nederland en de Indonesische archipel. Schulte Nordholt en Poeze spreken daarom niet van politionele maar van militaire acties en in Indonesië heeft men het in dit verband over agressi belanda, Nederlandse agressie.

Herdenken is in Indonesië vooral helden vereren. Het betreft een selecte groep van helden die naam hebben gemaakt in de strijd om onafhankelijkheid. Diponegoro behoort daar toe. De Atjeh-oorlog wordt door de Indonesiërs zelfs Diponegoro-oorlog genoemd. Het verweer tegen de Nederlanders wordt voorgesteld als een eensgezinde strijd, waarbij het land allengs werd opgebouwd met nieuwe staatsinstituties. 

Schulte Nordholt en Poeze laten daarentegen zien hoeveel strubbelingen er zijn geweest tussen diverse politieke groeperingen, zoals islamisten, communisten en sociaaldemocraten. In 1948 dreigde een communistische coup bijna te lukken, maar die werd op tijd afgewend. Verder waren er moslimgroeperingen die een islamitische staat wilden stichten. Het valt buiten het bestek van dit artikel om in te gaan op de vele politiek-maatschappelijke gebeurtenissen die van Indonesische kant over elkaar heen buitelden, maar de auteurs brengen ze nauwgezet in kaart. Het gevolg is dat het boek wemelt van de namen van (nieuwe) partijen, afkortingen daarvan, en de namen van leiders van al die bewegingen. Daardoor is het bijzonder rijk aan informatie die je in andere boeken van Nederlandse auteurs over Indonesië niet of veel minder aantreft. Voor de leesbaarheid was het beter geweest als er een woordenlijst van Indonesische woorden was toegevoegd, evenals een afkortingenlijst. Gelukkig zit achterin wel een namenregister. 

Uit de beschrijving van die tumultueuze jaren tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog in augustus 1945 en de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 doemt achteraf het beeld op dat het eigenlijk een mirakel is dat de onafhankelijkheidsstrijd uitmondde in een parlementaire democratie (die niet lang daarna trouwens werd gesmoord). Op voorhand bestond geen duidelijke overeenkomst tussen Indonesische partijen over het doel van de revolutie. Alleen over de noodzaak dat de Nederlanders het land uit moesten worden gewerkt, bestond een zekere consensus. En dan waren er ook nog groeperingen en zelfs hele regio’s die dit niet wilden. Dat was bijvoorbeeld het geval in die streken waarin de plaatselijke adel er traditiegetrouw baat bij had om de situatie bij het oude te laten, omdat hun positie als lokale heerser anders in gevaar dreigde te komen. 

De analyse in Merdeka – wat trouwens vrijheid betekent – staat dus haaks op de, in de woorden van de auteurs, ‘monolithische’ opvatting die de officiële Indonesische geschiedschrijving nog altijd kenmerkt. Ze hopen dat de Indonesische vertaling van hun boek, die op stapel staat, kan leiden tot ‘verruiming’ van het huidige Indonesische standpunt.

Systemisch geweld

Door de snelle verovering door de Japanners van Indonesië in 1942 verdween bij veel Indonesiërs het respect voor de Nederlanders. Een Aziatisch land had zonder al te veel moeite een koloniale mogendheid eronder gekregen. Allereerst beschouwden velen de Japanners als bevrijders, maar langzaam maar zeker trad de wreedheid van de Japanners op de voorgrond. Ze hadden Indonesië vanwege de grondstoffen bezet en niet om een ander Aziatisch land onafhankelijkheid te schenken (in Tokyo bestonden zelfs plannen om de Indonesische archipel bij Japan in te lijven). Hoewel dat wel lange tijd een worst was die Japan politieke leiders als Soekarno en Mohammed Hatta voorhield. Al vrij snel na de inval rekruteerde de Japanse bezetter Indonesische jongeren om die ter ondersteuning van het Japanse leger in te zetten. Ze kregen loodzware militaire trainingen. Twee dagen na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 in Indonesië werden de politieke leiders Soekarno en Hatta er door jongeren toe aangezet om de onafhankelijkheid uit te roepen. Nederland erkende dat niet en maakte aanstalten om de heerschappij over de kolonie op de oude voet voort te zetten. Dat leidde tot wat in Nederland de Bersiap wordt genoemd: de periode tussen oktober 1945 en begin 1946 waarin Europeanen, Chinezen en Indo-Europeanen door jonge revolutionairen met de dood werden bedreigd en vaak op een afschuwelijke manier afgeslacht. Deze jongeren, pemoeda’s, waren bewapend met bambu runcing, gepunte bamboestokken. Onduidelijk is hoeveel mensen om het leven kwamen; de schattingen lopen uiteen van 3.500 tot 20 duizend. Dit geweld werd voor een belangrijk deel gepleegd door diezelfde jongeren die eerder tijdens de Japanse bezetting waren getraind om tegen de geallieerde vijanden te vechten. Bersiap, dat ‘wees paraat’ betekent, is van Nederlandse makelij. In Indonesië noemt men die periode revolusi

De zuiveringsacties van Nederlandse zijde tijdens de twee politionele acties werden waarschijnlijk mede ingegeven door dit soort geweld van Indonesische zijde. Hoewel het moorddadige optreden van het Nederlandse leger voornamelijk voortvloeide uit de guerrillatactiek waarvan het Indonesische leger gebruikmaakte. Het was dezelfde tactiek waarmee Diponegoro het leger van De Kock succesvol had bestreden. Er was voor het Nederlandse leger een onzichtbare vijand, die zich soms even liet zien om toe te slaan, maar zeker niet in het openveld de strijd aanging omdat de tegenstander veel beter bewapend was. Het gevolg was dat Nederlandse militairen vaak op alles schoten wat bewoog, ook op bewoners in of nabij kampongs. 

David van Reybrouck brengt in Revolusi inzake oorlogsmisdaden een verhelderend onderscheid aan tussen incidenteel, structureel en systemisch geweld. Incidentele oorlogsmisdaden worden door individuele soldaten gepleegd, die het oorlogsrecht aan hun laars lappen. Uit wraak, woede of sadisme kunnen ze ongewapende burgers neermaaien, kampongs afbranden en andere acties ondernemen zonder militaire noodzaak, aldus Van Reybrouck. Volgens de Excessennota van 1969 is dat wat er in Indonesië zou zijn gebeurd: het ging slechts om geïsoleerde uitwassen. 

Bij structureel massageweld is sprake van veelvuldige misdaden als gevolg van de omstandigheden (slechte opleiding, te weinig troepen, stress, enzovoort). Hiervan ligt de verantwoordelijkheid bij de legerleiding en de politieke top. Incidenteel en structureel geweld zijn in oorlogstijd in principe te vermijden, maar dat geldt niet voor systemisch geweld. Dat geweld maakt deel uit van de militaire strategie. Van Reybrouck: “De publieke showprocessen van Westerling en zijn troepen op Zuid-Sulawesi zijn hiervan het beste voorbeeld, maar ook het systematisch martelen van tegenstanders om inlichtingen te verkrijgen behoort tot die categorie.”

Nemen we de bovenstaande boeken in ogenschouw, dan luidt de conclusie dat door onderdelen van het Nederlandse leger daadwerkelijk systemisch geweld is gepleegd. Meer dan eens werd geweld ingezet als militaire strategie. Dat gebeurde bijvoorbeeld om het gebrek aan manschappen te compenseren; om die reden werd angst onder de Indonesische bevolking gezaaid. Dit betekent niet dat elke Nederlandse militair er bij betrokken was. Van de 220 duizend soldaten waaruit het Nederlandse leger bestond zou zo’n kwart, 65 duizend, ingezet zijn bij gevechtshandelingen. Velen hadden er geen weet van, zodat de verontwaardiging van veteranen over hun rol in Indonesië achteraf terecht is. Degenen die er wel weet van hadden of zich zelf hadden ingelaten met oorlogsmisdaden, die zwegen. 

Degenen die ook zwegen of erger, bewijslast verdonkeremaanden of vernietigden, waren – zo heeft Maurice Swirc in De Indische doofpot onomstotelijk aangetoond – bewindslieden met hun ambtelijke ondersteuning: zij die vanuit de Haagse regeringsstad aan de touwtjes trokken. 

De Nederlandse vlag wordt voorgoed gestreken.

Verkeerde kant van de geschiedenis

Het is opmerkelijk hoe krampachtig de opeenvolgende Nederlandse regeringen het proces van Indonesische dekolonisatie na de Tweede Wereldoorlog hebben tegengewerkt. Met het – racistische – voorwendsel dat de Indonesiërs er nog niet ‘rijp’ voor waren, werd het verlangen naar onafhankelijkheid de kop ingedrukt. In de Tweede Kamer pleitte in het naoorlogse Nederland alleen de communistische partij voor onafhankelijkheid van Indonesië. Kamerbreed wilde men Nederlands-Indië behouden. Vooral bewindvoerders van katholieke huize zoals Carl Romme, Louis Beel en Maan Sassen profileerden zich in het naoorlogse Nederland als hardliners. Al drie eeuwen lang werd het eilandenrijk geëxploiteerd ten bate van de kolonisator, en dat was ongetwijfeld de belangrijkste reden. Verder had Nederland direct na de Tweede Wereldoorlog hard deviezen nodig. Indië kon daarin voorzien, rijk aan mineralen dat het was.

Het is weinig zinvol om de geschiedenis zwart-wit af te schilderen. Indonesiërs hebben tijdens de dekolonisatieoorlog soms ook ontoelaatbaar geweld uitgeoefend. Te denken valt aan de afschuwelijke agressie van de pemoeda’s. Maar hier draaide het niet om een bewuste strategie. Het was uitdrukking van opgehoopte woede tegen de bezetter en zijn handlangers. Waarbij deze vorm van geweld natuurlijk niet valt te rechtvaardigen. 

Niettemin was het Nederland dat aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond, verklaarde minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot in 2005 bij de viering van zestig jaar Indonesische onafhankelijkheid. Koning Willem-Alexander zal zich die gevleugelde uitspraak van Bot voor de geest hebben gehaald toen hij bij een staatsbezoek aan Indonesië in 2020 onomwonden excuses aanbood voor de geweldsontsporingen van Nederlandse zijde tijdens de onafhankelijkheidsstrijd. Een mooi gebaar, maar Indonesië had er vijfenzeventig jaar op moeten wachten. Vorige maand publiceerde de Volkskrant de uitkomsten van een enquête die de krant in samenwerking met geschiedenissite Historia onder Indonesische burgers had uitgevoerd. Een van de conclusies was dat 76 procent van de respondenten vond dat Nederland alsnog moet erkennen dat de onafhankelijkheid van Indonesië op 17 augustus 1945 valt. Velen vinden daarnaast dat Nederland een gebaar moet maken naar de nabestaanden van Indonesische slachtoffers en veteranen. 

Reikhalzend wordt alom uitgekeken naar de samenvatting van het onderzoeksrapport. Was er volgens de onderzoekers van de kant van Nederland sprake van incidenteel, structureel of systemisch geweld? En wie waren hiervoor verantwoordelijk?

Moet inderdaad 17 augustus 1945 door Nederland worden erkend als onafhankelijkheidsdag van Indonesië? En behoren nog schuldbewustere excuses door Nederland te worden gevolgd door schadeloosstelling?

Te verwachten valt dat in het onderzoeksrapport op deze kwesties antwoord wordt gegeven. Maar los van de vraag of de uitkomsten voor de een bevredigend en voor de ander onbevredigend zullen zijn, lijkt één ding inmiddels duidelijk: de dekolonisatie van Indonesië heeft zich nu ook definitief in de Nederlandse geschiedschrijving voltrokken.

– – – – – – – – – – – – – – – – –

Literatuur:

Henk Schulte Nordholt en Harry Poeze: Merdeka – De strijd om de Indonesische onafhankelijkheid en de ongewisse opkomst van de Republiek 1945-1950. Uitgeverij Walburg Pers, Zutphen 2022.

Maurice Swirc: De Indische doofpot – Waarom Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië nooit zijn vervolgd. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 2022.

Anne-Lot Hoek: De strijd om Bali – Imperialisme, verzet en onafhankelijkheid 1846-1950. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2021.

Marjolein van Pagee: Banda – De genocide van Jan Pieterszoon Coen. Uitgeverij Omniboek, Utrecht 2021.

Rémy Limpach: Brandende kampongs. Uitgeverij Boom, Amsterdam 2020.

Martin Bossenbroek: De wraak van Diponegoro – Begin en einde van Nederlands-Indië. Uitgeverij Athenaeum—Polak & Van Gennep, Amsterdam 2020.

David van Reybrouck: Revolusi – Indonesië en het ontstaan van de modern wereld. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2020.

Jelle Jeensma

Schrijver Jelle Jeensma

Als journalist publiceerde ik over uiteenlopende onderwerpen, maar vooral over film, literatuur en onderwijs. Ik redigeerde boeken, tijdschriften, brochures en artikelen. Van diverse filmbladen en universiteitsbladen was ik hoofd- of eindredacteur. Bij een dagblad was ik chef kunst. Als freelancer werkte ik voor verschillende journalistenbureaus. Als ghostwriter kroop ik in de huid van anderen en schreef ik zowel persoonlijke als zakelijke stukken.

Bekijk de essays van Jelle Jeensma

Uw reactie