Vorig jaar werd gevierd dat Nederland driekwart eeuw geleden werd bevrijd. De media in ons land stonden uitgebreid stil bij dit jubileum. Minder oog hadden ze, net als rond de herdenking van deze week, voor het alledaagse leven van onze oosterburen na de ineenstorting van het nationaalsocialisme. Dat tijdsbeeld wordt opgeroepen in twee dagboeken en in Wolfstijd, een mentaliteitsgeschiedenis van het naoorlogse Duitsland. 

Hoewel ik Germania, anno zero jaren geleden heb gezien, moet ik regelmatig terugdenken aan deze film uit 1948 van de Italiaanse meesterregisseur Roberto Rossellini. Ik ken geen andere dramafilm waarin de eenzaamheid van een kind, hevig gekweld door een noodlottige daad, hoewel met goede bedoelingen uitgevoerd, zo intens voelbaar is.

De film verhaalt over Edmund, een jongen van twaalf jaar, in Berlijn direct na de oorlog. Edmund probeert op alle mogelijke manieren in het levensonderhoud van zijn familie te voorzien. Rossellini wilde met zijn neorealistische film dicht bij de werkelijkheid blijven. Germania, anno zero maakte hij tegen de achtergrond van de volledig verwoeste Duitse hoofdstad. Ironisch genoeg koos Rossellini in de Italiaanse filmtitel niet voor Berlino, maar voor Germania: de nieuw te bouwen Welthauptstadt van het Duitse Rijk, naar een ontwerp van nazi-architect Albert Speer.

Verreweg de meeste personages in de film zijn amateurs, geen professionele acteurs. Dat geldt ook voor Edmund, die zijn eigen voornaam draagt. Het aanvankelijk goed doorvoede Duitse volk, dat tijdens de oorlog parasiteerde op andere overwonnen volkeren door hun landen leeg te roven, is geschokt. Er is na de nederlaag in 1945 een tekort aan alles. Er wordt honger geleden. De zwarte markt floreert. Om te overleven is het ieder voor zich. Edmund laat zich niet onbetuigd om langs illegale weg aan voedsel te komen.

Niemandstijd

In Wolfstijd – Duitsland en de Duitsers 1945-1955 besteedt de Duitse journalist Harald Jähner met name aandacht aan de eerste vier jaar na de capitulatie van het Duitse leger. Die periode loopt tot aan de stichting in 1949 van de Bondsrepubliek en de DDR. De eerste kreeg een parlementaire democratie en de tweede, voluit Duitse Democratische Republiek, werd een communistische dictatuur.

Jähner betoogt dat die tussentijd, 1945-1949, in de geschiedschrijving van Duitsland tot op heden een soort ‘niemandstijd’ is, een grote blinde vlek. En wat we erover denken te weten, klopt niet altijd. Ondanks de aanwezigheid van Amerikaanse, Engelse, Franse en Russische bezetters heerste er in dat tijdsbestek een grote mate van ordeloosheid. Er werd gestolen bij het leven; praktisch elke Duitser bezondigde zich hieraan. Ook werd er veel geplunderd door criminele bendes. Het was een manier om te overleven. Jähner spreekt over een ‘wolfstijd’, waarin ‘de mens de mens tot wolf’ is geworden. Hoewel hij dat niet met zoveel woorden zegt, zal hij deze omschrijving hebben ontleend aan Een vrouw in Berlijn, het oorlogsdagboek van Marta Hillers.

Zij was een Duitse journaliste van midden dertig die van 20 april tot 22 juni 1945 een dagboek bijhield. Dat dagboek verscheen als Engelstalige boekuitgave voor het eerst in 1954, in de Verenigde Staten. In Duitsland was rond die tijd geen uitgever bereid om het dagboek te publiceren. De oorspronkelijk Duitse tekst verscheen pas in 1959, toen de Nederlandse vertaling al vier jaar uit was. De naam van de auteur van Een vrouw in Berlijn was tot enige jaren terug onbekend. Het boek werd en wordt nog steeds anoniem gepubliceerd. Hillers had daar alle reden voor, want zij wilde haar eigen naam afschermen vanwege de schande die haar in de eerste weken na de capitulatie ten deel was gevallen. Zij werd talloze malen door Russische soldaten verkracht; ze stonden ervoor in de rij. De vernedering was groot. Hillers memoreert hoe een van haar verkrachters haar op een bed duwt: ‘Opeens vingers bij mijn mond, stank van paarden en tabak. Ik sper mijn ogen open. Handig wrikken de vreemde handen mijn kaken van elkaar. Oog in oog. Dan laat de man boven me bedachtzaam het in zijn mond opgespaarde spuug in mijn mond vallen.’

Hillers, die wat Russisch sprak omdat ze in Moskou had gewerkt, besloot het aan te leggen met een officier uit het Russische leger dat Berlijn had bevrijd. ‘Officier, commandant, generaal, zo hoog mogelijk, wat ik krijgen kan.’ Het werd een majoor. Door een seksuele verhouding aan te gaan met de aanvoerder van de roedel wist zij zich vanaf dat moment de andere wolven van het lijf te houden. Ze koos hiervoor uit lijfsbehoud, ingegeven door haar eerdere ervaring van brute verkrachtingen. Wanneer haar ‘beschermer’, die haar van schaarse etenswaren voorziet, opeens wegblijft, zoekt zij een andere officier uit.

Als tegenprestatie kreeg Hillers van haar Russische officieren suiker, boter, vlees, aardappels, soep. Het waren welkome giften. In feite kon je als Duitse burger jezelf niet in leven houden van het eten dat je met de door de geallieerden verstrekte levensmiddelenkaarten kon afhalen. 

In Germania, anno zero zie je hoe een menigte op straat een paard dat net door zijn hoeven is gegaan met messen te lijf gaat. Het is een realistisch beeld, want Hillers noemt eveneens het villen van een paard in Een vrouw in Berlijn. Iets soortgelijks wordt beschreven in Ik woonde in Berlijn – De dagboeken van een Duitse verzetsvrouw 1938-1948 van Ruth Andreas-Friedrich. In dit geval draait het om een gestorven os: ‘Uit honderd keldergaten komen ze tevoorschijn gekropen. Vrouwen, mannen, kinderen. Zijn ze aangelokt door de geur van het bloed?’ Vervolgens probeert iedereen een stuk vlees te bemachtigen.

Verkrachtingen van Duitse vrouwen door Russische soldaten kwamen tijdens de eerste weken na de capitulatie op grote schaal voor. Ze werden door de leiding van het Rode Leger stilzwijgend toegestaan of zelfs aangemoedigd. Jähner: ‘Minstens 2 miljoen vrouwen werden verkracht, vaak meerdere keren. De verkrachtingen gingen gepaard met publieke vernederingen, marteling en doodslag.’ Lange tijd zijn deze misdrijven in de doofpot gestopt; ze werden collectief verzwegen, ook door de vrouwen die het leed ondergingen. De publicatie van Een vrouw in Berlijn in de jaren vijftig was daar een grote uitzondering op. Pas meer dan vijftig jaar na het einde van de oorlog, rond de eeuwwisseling, werd er uitgebreid over gepubliceerd. Het feit dat het boek na de dood van de auteur in 2001 tal van herdrukken en vertalingen beleefde, zal ongetwijfeld een belangrijke factor zijn geweest bij het doorbreken van het stilzwijgen over de massale verkrachtingen in de zomer van 1945.

Trümmerfrauen

Dagboeken

Harald Jähner veegt in Wolfstijd het stof van het naoorlogse Duitsland, waardoor we er beter zicht op krijgen. Daarbij prikt hij haast terloops vijf mythes door. Ik vestig er nadrukkelijker de aandacht op. De eerste mythe betreft die van de Trümmerfrauen: de vrouwen die puinruimden in de door geallieerde vliegtuigen verwoeste steden. Op historische foto’s en films zie je ze in lange rijen staan, waarbij ze elkaar emmers puin doorgeven. In Rossellini’s film Germania, anno zero komen de Trümmerfrauen ook naar voren. Inderdaad is het zo dat in de eerste dagen na de oorlog vooral vrouwen, daartoe gedwongen, voor dit werk werden ingeschakeld. Hun mannen waren tijdens gevechtshandelingen gesneuveld (meer dan vijf miljoen) of verbleven in krijgsgevangenschap (6,5 miljoen in het westen en 2 miljoen in het oosten). Maar al snel werden aannemers aangezocht om het puinruimen te professionaliseren en er werden spoorrails aangelegd waarover treintjes het puin vervoerden. In het westen van Duitsland, evenals in West-Berlijn, waar de westerse geallieerden het voor het zeggen hadden, werden vrouwen sowieso bij uitzondering ingezet bij het puinruimen. Jähner: ‘Dat de Trümmerfrau zich desalniettemin tot heldin van de wederopbouw kon ontwikkelen, ligt aan de onvergetelijke aanblik die zij te midden van de ruïnevelden bood.’ De Trümmerfrau stond symbolisch voor de niet aflatende gemeenschapszin van de vernederde Duitsers. Dít beeld moest beklijven. En dat deed het lange tijd.

Vrouwen waren in de oorlog zelfstandig geworden. Hun mannen vochten aan het front en ze moesten zichzelf bedruipen. Hun gezin verzorgen, naast het verplicht werken in de oorlogsindustrie. Toen de soldaten – vaders, echtelieden, broers – na de oorlog uit de krijgsgevangenkampen terugkeerden, was dat een trieste aanblik. Ruth Andreas-Friedrich, in haar dagboek op 30 juli 1945: ‘Zijn dat de stralende strijders die Adolf Hitler jaren geleden goed uitgerust de oorlog in stuurde? Als wandelende ruïnes keren ze naar huis terug. Zonder benen, zonder armen, verziekt, verlaten en verloren.’ In huwelijken leidden hun terugkomst tot fricties. De voormalige soldaten wilden hun vooroorlogse rol als hoofd van het gezin weer oppakken, maar hun zelfbewuste eega’s lieten zich niet langer in een ondergeschikte rol duwen. De mannen konden verder niet verkroppen dat hun echtgenotes zo veelvuldig verkracht waren door de Russen. Alsof zij daar schuld aan hadden… Een grote golf van echtscheidingen was het gevolg. Ook Gerd, de geliefde van Marta Hillers in Een vrouw in Berlijn, keert haar de rug toe als zij hem vertelt over de Schändungen waarvan zij het slachtoffer is geweest. 

Volksverhuizingen

Direct na de oorlog deden zich in Europa enorme volksverhuizingen voor. En dan hebben we het niet alleen over de miljoenen Duitse soldaten die werden vrijgelaten uit krijgsgevangenschap. Acht tot tien miljoen dwangarbeiders, die in Duitsland waren ingezet voor de oorlogsindustrie, moesten naar hun vaderland terugkeren. Daaronder waren twee miljoen Russen. Navrant is dat veel Russische dwangarbeiders niet terug wilden naar de Sovjet-Unie. Ze waren, terecht, bang dat ze door Stalin voor collaborateurs werden aangezien. Massaal pleegden zij zelfmoord. Degenen die wel naar hun vaderland gingen, kregen daar de kogel of werden naar strafkampen in Siberië verbannen, waar velen door ontberingen alsnog overleden.

Miljoenen etnische Duitsers, geboren en getogen in gebieden als Sudetenland, Bohemen en Moravië, werden na de oorlog uitgezet en moesten naar Duitsland uitwijken. Twaalf miljoen verdrevenen gingen westwaarts. Naar later bleek kwam, aldus Jähner, maar liefst 16,5 procent van de bevolking van West-Duitsland uit de verloren gebieden in het oosten. In Oost-Duitsland was dat zelfs een kwart van de bevolking.

Uit het oosten, met name Polen, kwamen Joodse vluchtelingen, meer dan honderdduizend, naar Duitsland. Dat was wrang. Zij hadden de vernietigingskampen overleefd, maar vielen in Polen ten prooi aan pogroms (het blijft onvermeld in Wolfstijd, maar meer dan duizend Joden verloren daarbij het leven). Het antisemitisme tierde nog welig onder de Polen. De Joodse vluchtelingen zochten als displaced persons bescherming in de Amerikaanse zone, in het zuiden van Duitsland. Jähner: ‘Uitgerekend München, de hoofdstad van de nationaalsocialistische beweging, werd het tussenstation van de massale exodus van Joden uit het bevrijde Oost-Europa.’ Zo snel mogelijk wensten zij zich te vestigen in Palestina of de Verenigde Staten.

In de jaren zestig werd in Duitsland gesproken over het ‘integratiewonder’ dat vlak na de oorlog zou hebben plaatsgevonden, maar dat is achteraf gezien bezijden de waarheid. Het is na de Trümmerfrauen die de gemeenschapszin van het Duitse volk moesten verbeelden de tweede mythe. De integratie tussen Duitsers en andere bevolkingsgroepen die hun toevlucht zochten tot Duitsland verliep helemaal niet vlotjes. Gevluchte volksgenoten uit het oosten werden uitgemaakt voor ‘zigeunervolk’ en displaced persons als Joden en achtergebleven dwangarbeiders werden met de nek aangekeken. De schrijfster Natascha Wodin, kind van Russische dwangarbeiders en opgegroeid in een kamp voor displaced persons, doet in Ergens in dit duister het hartverscheurende verhaal van haar leven. Pas toen zij zeventien jaar was, voelde zij zich voor het eerst door een Duitser in ‘de Duitse wereld’ opgenomen worden.

Ware danswoede

Het is op grond van bovenstaande schets niet vreemd dat het beeld dat is ontstaan van de eerste naoorlogse jaren in Duitsland er een is van bittere ernst. Dat het leven door de Duitsers uitsluitend als zwaar werd ervaren, is echter de derde mythe. Volgens Jähner werd er namelijk ‘ongelofelijk veel gelachen in die jaren, en gedanst, feestgevierd, geflirt en gevreeën’. Hij heeft daar een verklaring voor: ‘Het gevoel aan de catastrofe ontsnapt te zijn en de onvoorspelbare, compleet ongeregelde toekomst leidden tot een verhoogde levensintensiteit.’ In films en literatuur over deze periode wordt daar weinig gewag van gemaakt. Onder invloed van Amerikaanse muziek als jazz, swing en boogiewoogie brak een ware danswoede uit. Het volgende expressionistisch getinte citaat van de schrijver Wolfgang Borchert, opgenomen in Wolfstijd, is veelzeggend: ‘[…] ons hart en brein hebben hetzelfde koortsachtige ritme: opgewonden, dol, hectisch, ongeremd. En onze meisjes, die hebben dezelfde hitsige polsslag in hun handen en heupen. En hun lach is schor en rauw en hard als een klarinet. En hun haar knispert als fosfor. Het brandt. En hun hart, dat slaat in syncopen, weemoedig en wild. Sentimenteel. Zo zijn onze meisjes: als jazz. En zo zijn de nachten, de nachten die rinkelen van de meisjes: als jazz: heet en hectisch. Opgewonden.’ Er werd zelfs gedanst in de ruïnes, waar op veel plaatsen nog een lijklucht hing. Door de nabijheid van de dood was er een enorme intensivering van het levensgevoel. Dat leidde tot een seksuele honger bij zowel mannen als vrouwen. 

Daarnaast kampten veel andere Duitsers juist met seksuele problemen. Veel mannen waren zo getraumatiseerd door het vechten aan het oorlogsfront en de ontberingen die ze daar hadden geleden, dat ze daardoor weinig seksuele lust hadden, ja, zelfs impotent waren geworden. De voormalige pilote Beate Köstlin, later bekend als Beate Uhse, zag in 1947 een gat in de markt. Zij begon een postorderbedrijf voor echtparen en bood hun erotische hulpmiddelen aan. Uhse bleek in een enorme behoefte te voorzien en haar bedrijf groeide explosief.

Veel Duitse vrouwen in de westelijke zones voelden zich erotisch aangetrokken tot de weldoorvoede, geallieerde soldaten, in hun goed uitziende uniformen. Uiteindelijk vlogen naar schatting 170 duizend Duitse soldatenbruiden naar de Verenigde Staten. Sommige Duitse vrouwen wendden zich uit nood tot de buitenlandse militairen: zij boden tegen betaling seksuele diensten aan, omdat de behoefte aan elementaire levensmiddelen groot was. In Germania, anno zero voelt de zus van Edmund zich hiertoe gedwongen. 

Edmund in ‘Germania, anno zero’

‘Stunde Null’

De euforie na het einde van de oorlog uitte zich op vele manieren. Zo werd er in 1946 in Keulen alweer carnaval gevierd. Dat zou je, in de woorden van Jähner, cultuurhonger kunnen noemen. In dit koortsachtige tijdsgewricht hunkerde de Duitse burger – na de leugens van de NSDAP-propaganda gedurende twaalf jaar – naar geloofwaardige kranten, naar theaterbezoek, (Amerikaanse) films, literatuur en vrije debatten. Dagbladen schoten als paddenstoelen uit de grond, de theaters vulden zich, luisteren naar muziek leek wel een eerste levensbehoefte, evenals het lezen van ‘vrije’ lectuur. En er werd eindeloos gedebatteerd, waarbij intellectuele standpunten over de inrichting van een nieuw Duitsland werden uitgewisseld. Ruth Andreas-Friedrich vat samen in haar dagboek: ‘Nog nooit is er in Berlijn zoveel hartstochtelijk verlangen naar leven en cultuur geweest als nu.’ En niet alleen in Berlijn, het deed zich in heel het overwonnen Duitsland voor.

Het nationaalsocialistische regime was verslagen en een groot deel van het Duitse volk was overtuigd aanhanger geweest of had het passief ondersteund. De Amerikanen hadden daarom in hun zone voor de bevolking denazificatie- en heropvoedingsprogramma’s opgezet. Burgers werden gedwongen voormalige concentratiekampen te bezoeken. En ze werden ertoe aangezet om in de bioscoop naar gruwelijke filmbeelden te kijken die door de geallieerden waren gemaakt bij de bevrijding van die kampen. De meeste bioscoopbezoekers wilden de beelden niet zien, wendden hun hoofd af of deden hun ogen dicht. Ze sloten zich er dus voor af. Ze verdrongen de misdaden van de nazi’s die ze jarenlang hadden gesteund. Ze verklaarden te zijn geïndoctrineerd door de nazipropaganda en ze hadden tijdens de oorlog veel geleden vanwege de bombardementen op steden, de honger en de razernij van de Russen. De westelijke geallieerde troepen hadden ze verwelkomd. Jähner: ‘Het leek wel of het fascisme in de harten van de Duitsers in rook was opgegaan. […] Hoe was dat mogelijk?’ Jähner kan geen andere verklaring verzinnen dan dat de Duitsers gewoon een knop hadden omgezet om hun ‘rotsvaste overtuigingen’ uit het naaste verleden uit te schakelen.

In de film Germania, anno zero van Roberto Rossellini is anno zero in de titel de Italiaanse vertaling van het Duitse Stunde Null, het uur nul. Het hield in dat Duitsland na de overgave op 8 mei 1945 met een schone lei begon. Dat is de vierde mythe. Door te spreken over een uur nul, werd de continuïteit gemaskeerd die er wel degelijk was. Degenen die een hoge positie bekleedden tijdens Hitlers dictatuur en zich conformeerden aan de nationaalsocialistische ideologie konden na de oorlog gewoon blijven zitten. Het kwam voor dat ze tijdelijk uit hun functie werden ontheven, maar met de amnestie in 1954 keerden de meesten naar hun oude post terug. Tegen die tijd werd het in de westelijke zone aan de Duitsers zelf overgelaten om zuiveringen door te voeren. Het was daarbij een gotspe dat zuiveringscommissies veelal bezet werden door voormalige nazi’s. Het ging om industriëlen, rechters, zakenlieden, wetenschappers, ambtenaren in leidinggevende posities. Maar evenzeer voormalige nazi’s in de lagere echelons van het Duitse bedrijfsleven en de Duitse overheid die na de oorlog waren ontslagen, kregen al gauw hun baan terug. Jähner komt met onthutsende cijfers: van de actieve nationaalsocialisten werden er slechts 25 duizend schuldig bevonden en daarvan werden niet meer dan 1667 als ‘hoofdschuldige’ aangemerkt. En dan te bedenken, vul ik Jähner aan, dat op het einde van de oorlog zo’n acht miljoen Duitsers waren geregistreerd als lid waren van de NSDAP.

Slachtoffer

Bij de Neurenbergse processen, die liepen van oktober 1945 tot oktober 1946, werden de kopstukken van de NSDAP veroordeeld wegens oorlogsmisdaden; de meeste kregen de doodstraf. Dat gaf de Duitse bevolking het voorwendsel om zichzelf als slachtoffer te zien. Het is een mythe, de vijfde, waarin de Duitsers zelf lange tijd hebben geloofd. En dat tegen de achtergrond van de genocide op de Europese Joden. Jähner: ‘Het verdringen en verzwijgen van de vernietigingskampen ging na de oorlog door […].’ De Holocaust was geen onderwerp van gesprek. Net zomin als het feit dat in de laatste weken van de oorlog de Wehrmacht en de SS, toen zij zich terugtrokken, honderdduizenden dwangarbeiders en gevangenen vermoordden. Er deed zich een collectief verschijnsel voor: de overlevingsdrang van de Duitsers schakelde hun schuldgevoelens uit. Pas na het Auschwitz-proces van 1963 tot 1965 waarbij kampcommandanten en kampbewakers vanwege de uitroeiing van zes miljoen Joden voor het gerecht werden gedaagd, kregen veel Duitsers oog voor deze gruwelijke misdaad. 

Harald Jähner beperkt zich voor zijn mentaliteitsgeschiedenis tot het naoorlogse Duitsland. Daarom is het goed om historici te raadplegen die het relaas wat breder trekken, buiten de Duitse landsgrenzen – in Europees verband. De uitbarsting van euforie in het naoorlogse Europa deed zich bijvoorbeeld overal voor. De populaire muziek die de Amerikaanse militairen met zich meebrachten, viel alom te horen. De Zweedse Netflix-serie The restaurant laat zien hoe Stockholm door het opzwepende ritme van de jazzmuziek werd bezocht. Maar het gold eveneens voor andere steden als Parijs en Amsterdam. Dansend op deze muziek werd de bevrijding gevierd. Ian Buruma spreekt in 1945 – Biografie van een jaar (Engelse titel: Year Zero) van ‘erotiek van de bevrijding’ die deze door de nazi’s verboden muziek met zich meebracht.

De verkrachtingsgolf door het oprukkende Russische leger teisterde ook andere landen. Tony Judt wijst er in Na de oorlog – Een geschiedenis van Europa sinds 1945 op dat volgens opgave van artsen en klinieken in de eerste drie weken na de inval van het Rode leger in Wenen 87 duizend vrouwen werden verkracht. De Sovjettroepen zaaiden dood en verderf. Judt haalt de Amerikaanse diplomaat George Kennan aan die daar in zijn memoires verslag van deed: ‘De Russen […] hielden huis onder de inheemse bevolking op een wijze die niet meer vertoond was na de dagen van de Mongoolse horden.’ 

Het was de revanche voor wat de Wehrmacht en de SS daarvoor bij de inval in de Sovjet-Unie de Russen hadden aangedaan. De cijfers spreken boekdelen: het aantal burgerslachtoffers in de Sovjet-Unie ligt boven de 16 miljoen, naar schatting 8,6 miljoen Russische soldaten verloren het leven, en van de ongeveer 5,5 miljoen door de nazi’s gevangengenomen Russische krijgsgevangenen kwamen er 3,3 miljoen om het leven door verhongering, uitputting en mishandeling. Toen het Duitse leger zich terugtrok van Russisch grondgebied werd de tactiek van de verschroeide aarde toegepast: steden en dorpen werden in brand gestoken en alles van waarde werd meegenomen. De Russische verkrachtingsgolf was zodoende ingegeven door de sterke behoefte aan vergelding. Voorts waren de ‘Ivans’ opgehitst door de permanente Sovjetpropaganda en bij het plegen van deze oorlogsmisdaden tegen vrouwen meestal onder invloed van alcohol. De angst voor wraak bij de Duitsers was dus reëel. In het hele land pleegden velen zelfmoord, zelfs hele gezinnen. Ze verdronken zich, hingen zich op, namen gif in of schoten zich dood.

Economisch herstel

Niet alleen in Duitsland, maar ook in andere Europese landen ontliepen veel nazisympathisanten en collaborateurs hun straf. Ian Buruma wijst er in 1945 op dat de industriële elite en de top van het bedrijfsleven er tijdens het Vichy-bewind in Frankrijk grotendeels zonder kleerscheuren van af kwam. Men had overal behoefte om een streep onder de oorlog te zetten. De Koude Oorlog diende zich aan. Het front tussen de westerse en Russische geallieerden vertoonde al snel barsten. Met name de Amerikanen was er veel aan gelegen dat de Europese landen zich snel zouden herstellen. Dat verminderde de kans dat de bevolking vatbaar zou worden voor de ideologie van sterke communistische partijen in landen als Frankrijk en Italië, bijgestaan door de Sovjet-Unie. Economisch herstel werd boven gerechtigheid gesteld.

Dat economisch herstel, in Duitsland uitmondend in het Wirtschafswunder, werd voorbereid door al die voormalige nazi’s die de dans waren ontsprongen. Duitse technocraten die voor het Derde Rijk werkten, waren nu de planners van de nieuwe maatschappelijke orde. Dat gold zowel voor Oost- als West-Duitsland. De economische en culturele opleving in West-Duitsland werd voor een belangrijk deel in gang gezet door de verdrevenen uit Oost-Europa. Die legden een enorme werklust aan de dag en zorgden voor meer culturele openheid.

Hoe was het mogelijk dat twee Duitse staten ontstonden, de Bondsrepubliek en de DDR, die gezuiverd waren van het nationaalsocialisme? Met Wolfstijd, een mentaliteitsgeschiedenis, poogt Harald Jähner duidelijk te maken waarom de meerderheid van de Duitsers de mentaliteit van het nationaalsocialisme van zich heeft kunnen afwerpen. Een afdoende verklaring biedt hij echter niet. Tony Judt en Ian Buruma geven die wel: het opportunisme van de Duitsers. Buruma haalt voormalig verzetsstrijdster Ruth Andreas-Friedrich aan. Die tekende in juni 1945 op uit de mond van haar vriend Frank (in het echt Walter Seitz, die tijdens de oorlog eveneens in het verzet zat): ‘De Führer is dood. Als je wil leven moet je eten. Als je wil eten, en goed wil eten, kun je maar beter geen nazi zijn. Dus zijn ze geen nazi’s. En daarom waren ze ook geen nazi’s en zweren ze bij alles wat heilig is dat ze het ook nooit geweest zijn.’ Neem het voorbeeld van de bankier, aldus Buruma, die zich uit opportunisme kon aanpassen aan een moorddadig regime en bedrijven financierde die slaven uitbuitten en fabrieken bij de vernietigingskampen bouwden. Datzelfde opportunisme zorgde ervoor dat deze bankier een trouwe burger werd van de naoorlogse Duitse democratie en een instrument kon worden van de wederopbouw.

Opportunisme

Judt belicht het opportunisme in de DDR, zoals het door de Russen onderworpen Oost-Duitsland vanaf 1949 heette. Door de machthebbers werd gesteld dat het nazisme een uitingsvorm van het fascisme was, dat op zijn beurt het product was van het kapitalisme in crisis. De communistische DDR zou daarentegen een land van arbeiders, boeren en antifascistische helden zijn. 

In de DDR besloot men voornamelijk de top van de nazi’s te vervolgen. Daarbij besteedde men geen aandacht aan de genocide op de Joden. Voormalige nazi’s die zich niet al te zeer hadden misdragen bleken, aldus Judt, ‘uitzonderlijk goed inzetbaar in de communistische staat, als partijleden, lokale bestuurders, informanten en politieagenten’. Nazisme en stalinisme hadden met elkaar gemeen dat ze ontsproten aan een autoritaire samenleving. Dat was de reden waarom dit soort functionarissen in beide maatschappijtypen kon floreren.

Opzienbarend zijn de uitkomsten van opiniepeilingen uit 1946 die Judt geeft. In de periode 1945-1949 vond een meerderheid van de Duitse bevolking dat het ‘nazisme een goed idee was, dat slecht was toegepast’. En verder: in 1947 was 37 procent van de ondervraagde Duitsers in de Amerikaanse bezettingszone van mening dat ‘de uitroeiing van de joden en Polen en andere niet-ariërs noodzakelijk was geweest voor de veiligheid van de Duitsers’. Nog in 1952 bevestigde een even groot percentage West-Duitsers in een opiniepeiling dat het beter was als er geen joden op Duits grondgebied woonden. Dat was ook het jaar, drie jaar na de stichting van de Bondsrepubliek, waarin 25 procent van de West-Duitsers aangaf dat ze ‘een hoge dunk hadden’ van Hitler.

Dit zijn natuurlijk stuitende uitkomsten. Hoezo waren de Bondsrepubliek en de DDR gezuiverd van het gedachtegoed van het nazisme? Gelukkig werd er weerwerk geleverd. En daarmee wordt een zesde mythe ontkracht. Lange tijd heeft men in West-Duitsland namelijk gedacht dat het pas de revolterende generatie van ’68 was die hun ouders en grootouders ter verantwoording riep voor de door hen begane oorlogsmisdaden. Jähner maakt aan de hand van brononderzoek duidelijk dat zowel de nazidictatuur als de ondergang ervan de oudere generatie in de ogen van hun kinderen, die door hun ouders als lid van de Hitlerjugend waren aangemeld, had gediskwalificeerd. Acceptatie en verwerking van de nazidictatuur, de Vergangenheitsbewältigung, kwamen pas later. Direct na de oorlog vond verdringing plaats en werden mythes gecreëerd. Maar de woede smeulde onderhuids voort – om twee decennia later weer aan de oppervlakte te komen. Jähner: ‘Nergens anders ging de wereldwijde protestgolf van 1968 gepaard met een zo meedogenloze persoonlijke afrekening van jongeren met de generatie van hun ouders als in de Bondsrepubliek.’ Hij vermeldt het niet, maar het protest tegen de oudere generatie ontaardde zelfs in de Rote Armee Fraktion, ook bekend als de Baader-Meinhof-groep, een extremistische terreurgroep in de Bondsrepubliek die zich bediende van geweld.

In de film Germania, anno zero uit 1948 brengt Edmund zijn vader om het leven en in retrospectief kunnen we die daad opvatten als een freudiaanse vadermoord. Zo werd de weg geruimd voor iets anders: voor de democratische ontwikkeling. Het verschil met de historische film en het hedendaagse, verenigde Duitsland is dat Edmund als kind niet langer voor zichzelf een toekomst ziet (hij pleegt zelfmoord) en dat het huidige Duitsland juist toekomstgericht is (het land geeft mede vorm aan de Europese Unie). Toen bondskanselier Angela Merkel in 2015 besloot om meer dan een miljoen vluchtelingen op te nemen (‘Wir schaffen das’), gebruikte ze als argument dat Duitsland een daad moest stellen ‘tegenover de geschiedenis’. Lees: in het licht van de nazistische misdadigheid. Zo gezien zou je kunnen spreken van een Wiedergutmachung, maar dat is te kort door de bocht. Merkel wilde vooral laten zien dat de Bondsrepubliek tegenwoordig een veerkrachtige democratie is, die vreemde invloeden niet schuwt.

Opiniemakers, in Nederland voorop, verklaarden haar bij zoveel massa-immigratie voor gek. Het zou de samenleving ontwrichten en het rechtsradicalisme bevorderen. Dat laatste is daadwerkelijk gebeurd, maar toch is inmiddels een substantieel deel van deze grote groep vluchtelingen geïntegreerd en heeft een baan gevonden. Net als bij de verdrevenen uit Oost-Europa in 1945 komt hun inzet de economie en cultuur van het land ten goede. Diversiteit als katalysator van vooruitgang. Het strekt Nederland, met zijn angstvallig vluchtelingenbeleid, tot voorbeeld.

_______________________________________

Aangehaalde boektitels:

Harald Jähner: Wolfstijd. Duitsland en de Duitsers 1945-1955. Uitgeverij De Arbeiderspers. Amsterdam 2020 (oorspronkelijke titel: Wolfszeit. Deutschland und die Deutschen 1945-1955,uitgekomen in 2019).

Ruth Andreas-Friedrich: Ik woonde in Berlijn. De dagboeken van een Duitse verzetsvrouw 1938-1948. Uitgeverij Balans. Amsterdam 2012 (oorspronkelijke titel: Schauplatz Berlin, uitgekomen in 1962).

Anoniem: Een vrouw in BerlijnDagboekaantekeningen van april tot juni 1945. Uitgeverij Cossee. Amsterdam 2006 (oorspronkelijk titel: Anonyma: Eine Frau in Berlin. Tagebuchaufzeichnungen vom 20. April bis 22. Juni 1945, uitgekomen in 2003, 11edruk).

Natascha Wodin: Ergens in dit duister. Uitgeverij Atlas Contact. Amsterdam 2020 (oorspronkelijke titel: Irgendwo in diesem Dunkel, uitgekomen in 2018).

Ian Buruma: 1945 – biografie van een jaar. Uitgeverij Olympus. Amsterdam 2018, 10edruk (oorspronkelijke titel: Year Zero. The History of 1945, uitgekomen in 2013).

Tony Judt: Na de oorlog. Een geschiedenis van Europa sinds 1945. Uitgeverij Contact. Amsterdam 2006, 2e druk (oorspronkelijke titel: Postwar. A history of Europe since 1945, uitgekomen in 2005).

Jelle Jeensma

Schrijver Jelle Jeensma

Als journalist publiceerde ik over uiteenlopende onderwerpen, maar vooral over film, literatuur en onderwijs. Ik redigeerde boeken, tijdschriften, brochures en artikelen. Van diverse filmbladen en universiteitsbladen was ik hoofd- of eindredacteur. Bij een dagblad was ik chef kunst. Als freelancer werkte ik voor verschillende journalistenbureaus. Als ghostwriter kroop ik in de huid van anderen en schreef ik zowel persoonlijke als zakelijke stukken.

Bekijk de essays van Jelle Jeensma

Reageer ook 6 reacties

  • Koos van den Kerkhof schreef:

    Ik vond het een indrukwekkend stuk om te lezen. Er komen tal van persoonlijke herinneringen bij me boven. Duitsland is hier zo nabij.

  • Selma schreef:

    Mooi artikel, Jelle. Het verhaal van Hitler heb ik nog niet zo lang geleden gelezen. Dat was absoluut indrukwekkend.

  • Ad Renting schreef:

    Boeiend stuk. Een prestatie ook, om een reeks boeken zo met elkaar in verband te brengen. Wel raakte ik bij die ontkrachte mythen de tel kwijt. Zinnebeeldig misschien voor het zoeken van nieuwe wegen door de mensen in die jaren vol tegenstrijdigheden.

    • Jelle Jeensma schreef:

      Dank je, Ad. Ja, ik had in mijn tekst de becijfering van de opeenvolgende mythes vet gemaakt, maar toen bleek in de gepubliceerde versie de hele tekst vet te staan. Het zijn er trouwens zes. 🙂

Uw reactie

%d bloggers liken dit: