Skip to main content

Een week na de presentatie van het rapport ‘Over de grens’ over de Nederlandse gewelddadigheden tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog eiste een bloedige oorlog op Europese bodem alle aandacht op. Daardoor bleven bepaalde aspecten onderbelicht. Überhaupt waren de reacties vanuit de media oppervlakkig. Hiermee wordt deze lijvige analyse geen recht gedaan. Die verdient het om op haar merites te worden beoordeeld. Vandaar alsnog een aantal kanttekeningen.

Vier jaar lang hebben wetenschappers van drie vooraanstaande instituten onderzoek gedaan naar het Nederlandse geweld in Indonesië en het resultaat ervan zal uitvoerig uit de doeken worden gedaan in maar liefst veertien afzonderlijke publicaties. Sommige daarvan zijn inmiddels verschenen, zoals het eindrapport Over de grens – Nederlands extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, 1945-1949. De meeste andere delen wachten nog op publicatie. Martin Sommer in zijn Volkskrant-rubriek: “Nu is er dus al een oordeel, terwijl die veertien delen nog gelezen moeten worden, en ook het Kamerdebat nog niet is gevoerd.”

Het belang van Over de grens komt allereerst tot uitdrukking doordat premier Mark Rutte namens de regering al op de dag van de presentatie aan het Indonesische volk ‘diepe excuses’ aanbood voor het ‘extreme geweld’ van Nederlandse kant tijdens de onafhankelijkheidsoorlog. Dat was vlug. Het zou mij echter verbazen als premier Rutte en zijn medebewindslieden op dat moment deze dikke pil van kaft tot kaft hadden gelezen. Niettemin spreekt de titel van deze samenvatting boekdelen: Nederland was op het punt van gepleegde gewelddadigheden duidelijk over de – ethische – grens gegaan. 

Aan de vooravond van de presentatie van Over de grens op 17 februari van dit jaar publiceerde ik het artikel met als titel ‘Nederlands geweld in Indonesië was onderdeel van de militaire strategie’. De grote lijn van dit stuk komt overeen met het eindrapport, dat daags daarna werd gepubliceerd. Dit kwam niet doordat ik er een voorpublicatie van in handen had. Verrassenderwijs is niet gelekt naar de pers. Ik baseerde mijn artikel op zeven Nederlandstalige boekpublicaties die recentelijk over Indonesië waren verschenen. De huidige inzichten over de aard van het door Nederland gepleegde geweld kreeg met Over de grens een wetenschappelijke onderbouwing. Het onderzoeksprogramma werd uitgevoerd door het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie, en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies.

Non-combattanten

Het uitgebreide wetenschappelijk onderzoek doet niet geheel recht aan het werk van door mij geraadpleegde auteurs als David van Reybrouck en Marjolein van Pagee. Enigszins laatdunkend worden ze ‘perspublicaties’ genoemd. Maar deze auteurs hebben eveneens een academische achtergrond en houden zich aan de uitgangspunten van goed bronnenonderzoek. Alleen schuwen zij daarnaast de polemiek niet. Zij nemen stelling en schrijven in een toegankelijke stijl. Van Reybrouck is daarin succesvol gebleken, want zijn boek Revolusi bereikte een breed publiek. Ook Martin Bossenbroek is een gevierd schrijver. Eerder werd diens De Boerenoorlog goed ontvangen en De wraak van Diponegoro – Begin en einde van Nederlands-Indië doet daar weinig voor onder. Wel weeft Bossenbroek fictie door de historische werkelijkheid door zich in te leven in personen die in de geschiedenis op de voorgrond traden. Gert Oostindie en Rémy Limpach scharen in Over de grens de boeken Revolusi en De wraak van Diponegoro onder de noemer ‘literaire (historische) non-fictie’. Desondanks stemmen ze, aldus deze twee onderzoekers, overeen met wetenschappelijke inzichten over Indonesië.

Andere auteurs wier boeken ik las voor mijn eerste artikel over Indonesië werkten mee aan het onderzoek van de drie instituten: Rémy Limpach, Henk Schulte Nordholt en Harry Poeze. Zij houden zich op in het domein van de wetenschap, waarin voor polemiek, stellingname en fictie vanzelfsprekend geen plaats is. Hoewel interpretatie van de objectieve werkelijkheid en keuze voor een bepaalde invalshoek natuurlijk niet gespeend zijn van subjectiviteit. Eén recent verschenen boek over het Nederlandse militaire geweld heb ik niet gebruikt voor mijn vorige artikel: ‘Zoeken, aangrijpen en vernietigen!’ – De theorie, praktijk en prijs van het Nederlandse militaire optreden in Indonesië 1945-1949 van Christiaan Harinck. De handelseditie ervan kwam, met enigszins gewijzigde ondertitel, voor mij te laat uit. Net als in het geval van Rémy Limpach gaat het hier om een promotieonderzoek. Harinck ploos de Nederlandse militaire archieven uit.

Harinck stelt in zijn onderzoek niet alleen het extreme geweld van het Nederlandse leger in Indonesië centraal. Ook andere vormen van geweld onderzocht hij. Bij elkaar was het veelvormige geweld massaal. Net als in Over de grens valt te lezen, berekent Harinck dat er minimaal 100 duizend Indonesiërs door het Nederlandse leger om het leven zijn gebracht; het aantal slachtoffers dat al langere tijd door andere bronnen wordt genoemd. Wat betreft het aantal gedode Nederlandse militairen is Harinck exacter dan Over de grens. In de presentatie van de drie instituten wordt een dodental van 5.300 genoemd, waarvan de helft door ongelukken en ziektes. Harinck, die blijkbaar heeft geturfd, spreekt van 4.751 gedode Nederlandse militairen, van wie er 2.526 stierven tijdens gevechtshandelingen. Maar zijn toevoeging – een omissie in Over de grens – is veelzeggend: “Het is zeer waarschijnlijk dat een aanzienlijk gedeelte van de minimaal honderdduizend Indonesische slachtoffers uit non-combattanten heeft bestaan.” Non-combattanten, burgers dus. “Zich schuilhoudende of wegvluchtende burgers schoten niet terug. Maar als ze omkwamen door Nederlands vuur werden ze ook wel meegeteld als gedode tegenstanders.” Als je de slachtofferaantallen van andere koloniale mogendheden in dit tijdsbestek vergelijkt, is er volgens Harinck sprake van grote discrepantie. Een verklaring hiervoor is dat het Nederlandse leger zich buitensporig te buiten is gegaan aan het doden van onschuldige burgers. En dan hebben we het niet alleen over degenen die tot de dood zijn gemarteld of standrechtelijk geëxecuteerd, maar tevens over burgers die in het wilde weg door Nederlandse beschietingen zijn omgebracht. 

Harinck brengt het zorgvuldiger onder woorden dan de auteurs van Over de grens. Je vraagt je af hoe dat mogelijk is. Aan het door de overheid verstrekte onderzoek naar extreem geweld in Indonesië, uitgevoerd door de drie genoemde onafhankelijke instituten, waren zo’n veertig onderzoekers betrokken, aangevuld met een dozijn tijdelijke assistenten. Daarvan komen twaalf onderzoekers uit Indonesië. Gert Oostindie voert aan dat er binnen deze onderzoeksgroep verschil van inzicht leefde. Gezien de omvang en diversiteit van het team van onderzoekers is dat niet verbazingwekkend. Toch lijkt men in het eindrapport tot consensus te hebben besloten.

Reinigingsritueel

De centrale conclusie in Over de grens luidt dat de Nederlandse krijgsmacht zich structureel schuldig maakte aan extreem geweld. Daarbij wordt, ter adstructie, het proefschrift Zoeken, aangrijpen en vernietigen! van Christiaan Harinck aangehaald.

Ook Harinck ziet het gebruik van Nederlands geweld tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog niet in de eerste plaats als een ‘ontsporing’ van eigen militairen. Nogal cryptisch formuleert hij in zijn proefschrift de stelling: “Veeleer was het Nederlandse geweldgebruik de logische consequentie van de ideeën, methoden en middelen waarmee de strijdkrachten de Indonesische Revolutie bestreden.” Dit zou je vrij kunnen vertalen naar de kop boven mijn vorige Indonesië-artikel: ‘Nederlands geweld in Indonesië was onderdeel van de militaire strategie’.

De legertop was aansprakelijk. Tijdens de staat van beleg had die zo goed als onbeperkte bevoegdheden en werd nauwelijks door Den Haag aangestuurd. De opeenvolgende regeringen, van confessionele en sociaaldemocratische signatuur, sloten de ogen. Dat regering en legertop in het openbaar ongeoorloofd geweld in de Indonesische archipel afwezen, was niets meer dan het bewijzen van lippendienst. Het doel heiligde de middelen: de kolonie in de Oost moest behouden blijven. Onderzoeksleider Frank van Vree zei het in een interview in de Volkskrant onomwonden: het extreme geweld had geen enkele wettelijke grondslag.

Bij het eindoordeel van dit breed opgezette historische onderzoek krijgt met name de Nederlandse krijgsmacht de zwarte piet toegespeeld: die faalde als instituut. Daarmee worden álle Nederlandse militairen, ongeveer 220 duizend, die in Indonesië dienden uit de wind gehouden. Het kabinet neemt de verantwoordelijkheid voor het ‘collectief falen’ van alle toenmalige autoriteiten. Frank Vermeulen gaf in NRC op dit punt een raak commentaar: “Rutte heeft alle meningsverschillen toegedekt onder excuses voor iedereen en onder collectieve verantwoordelijkheid.” Rutte maakte, aldus Vermeulen, van de presentatie van het onderzoek een nationaal reinigingsritueel. We bekennen schuld als natie en wijzen niet naar individuen die tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog overduidelijk de fout zijn ingegaan. 

Terwijl er toen oorlogsmisdaden zijn gepleegd, wordt dit in het eindrapport nergens als zodanig vermeld. Toch hebben die aanwijsbaar plaatsgevonden. Aan de bekende bloedbaden op Java, Bali en Sumatra kunnen minder bekende worden toegevoegd. De Nederlandse inlichtingendiensten gebruikten op grote schaal extreem geweld. Gevangenen werden systematisch gemarteld, iets wat in rapportages werd verzwegen of verdoezeld. Het Nederlandse justitieapparaat ging evenzeer faliekant in de fout. In krijgsgerechten werden, onder flinterdunne bewijslast, Indonesische gevangenen geëxecuteerd. Esther Zwinkels in Over de grens: “Hiermee maakte zij [justitie] zich samen met de militaire autoriteiten schuldig aan wat niet anders omschreven kan worden dan justitiële moorden.” Uitgevoerde executies op grond van volstrekte rechteloosheid.

Heeft de overheid bij monde van twee opeenvolgende kabinetten-Rutte in de uitvoering van dit Indonesië-onderzoek een sturende rol gespeeld? Opvallend is dat premier Rutte al op 17 februari aangaf dat spreken over oorlogsmisdaden een ‘juridische duiding’ zou behelzen. Maar, gaf de minister-president bij die gelegenheid grif toe, [Indonesische] nabestaanden konden een beroep doen op schadeloosstelling via de bestaande schikkingsregelingen. Dat roept in gedachte wat David van Reybrouck in Revolusi memoreert: dat in september 2020 de Nederlandse staat de zoon van de onthoofde Lambogo een schadevergoeding van 874,80 euro toekende. De zoon weigerde het bijzonder lage bedrag. Los van de hartvochtigheid intrigeert dit bedrag. Hoe stel je die merkwaardig exacte geldsom vast? Welke criteria worden daarbij gehanteerd? 

Op 17 augustus 1945 roept Soekarno de onafhankelijke Republiek Indonesië uit.

Voortschrijdend inzicht

Programmaleider Frank van Vree verklaarde in het eerder aangehaalde interview in de Volkskrant, op de dag na de presentatie van het eindrapport, dat extreem geweld tevens oorlogsmisdaden impliceert. Op die manier konden verschillende gradaties van geweld worden onderscheiden. Verder lichtte hij een tipje van de sluier: binnen de brede onderzoeksgroep leidden discussies tot het ‘radicale besluit’ om weg te blijven van ‘juridische begrippen’. Het expliciet spreken over oorlogsmisdaden zou weinig houvast bieden voor historisch onderzoek en zelfs de blik vernauwen. Twee dagen later, op 20 februari, bracht hij een gerijpter inzicht in het radioprogramma OVT onder woorden: “We hadden denk ik moeten zeggen: extreem geweld inclusief oorlogsmisdaden.” Maar hij ontkende dat de kwalificatie oorlogsmisdaden om politieke redenen niet is gebruikt. Onzin, aldus Van Vree. “Maar we hebben achteraf gezien misschien wel onderschat dat dit zo zou worden uitgelicht.”

Dit voortschrijdend inzicht wekt op z’n minst bevreemding. Vier jaar lang onderzochten veertig academici het gebruik van extreem geweld door Nederland tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië. In tal van eerder verschenen boeken, evenals in ‘perspublicaties’ over dit onderwerp, werd al gesproken over oorlogsmisdaden. Getuigt het dan van schromelijke naïviteit dat je je niet bedenkt dat het hier draait om een politiek beladen duiding? Dat is onvoorstelbaar. Ik zou overigens weleens willen weten wat de twaalf Indonesische onderzoekers binnen de onderzoeksgroep ervan vonden. Ik vermoed dat de beslissing om niet te spreken over oorlogsmisdaden een meerderheidsstandpunt inhield.

Toen de mening van Jeffry Pondaag, voorzitter van de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden, in de Kanttekening – de andere k(r)ant naar het eindrapport werd gevraagd, was diens reactie: de opzet van dit overheidsonderzoek was koloniaal. Uitkomsten over zaken als extreem geweld liggen in het verlengde daarvan. 

Fitria Jelyta, auteur van genoemd stuk in de Kanttekening, verwijst naar een artikel van de historicus Hoesein Rushdy. Dat artikel verscheen op de Indonesische nieuwssite Detik News. Het Nederlandse onderzoek zou volgens Rushdy te eenzijdig zijn doordat te weinig bronnen van Indonesische zijde zijn gebruikt. Veel van die bronnen zouden door Nederland zijn vernietigd of verdonkeremaand.

Daar valt een relativerende opmerking tegenover te stellen. Inderdaad is het eindrapport geschreven vanuit Nederlands perspectief, dat van de voormalige kolonisator. Daarover laten de auteurs van Over de grens geen misverstand bestaan. Maar dit is mede ingegeven door het feit dat van Indonesische officiële zijde geen medewerking werd verleend. Het gaat hier dus niet om gedeelde research, al deden een dozijn Indonesische onderzoekers op persoonlijke titel mee. De Indonesische overheid heeft geen inzage willen geven in archieven wat een veelzijdiger beeld, dat wil zeggen over het geweld van twee kanten, uit de periode 1945-1949 had kunnen opleveren. 

Soekarno wordt na de soevereiniteitsoverdracht toegejuicht op 28 december 1949

Wonder

In Indonesië bestaat een andere kijk op de geschiedenis van dat land. Het Nederlands perspectief, zoals dat in Over de grens tot uitdrukking komt ontbreekt ten enen male. De onafhankelijkheidsstrijd wordt glorieus beschreven. Het gaat niet zozeer om het memoreren van de gevallen slachtoffers maar om het eren van de helden, die op heroïsche wijze hun bijdrage hebben geleverd aan het afwerpen van het koloniale juk. Gepleegde gewelddadigheden spelen daarbij een secundaire rol. Er wordt een mythe gecreëerd waarbij de strijd tegen de Nederlandse onderdrukkers wordt voorgesteld als één Indonesisch project. Dat is bezijden de waarheid, want zoals Henk Schulte Nordholt en Harry Poeze in Merdeka aantonen waren er in de aanloop naar de onafhankelijkheid in 1949 vele binnenlandse kongsi’s die met elkaar strijd leverden. Daarom spreken deze auteurs niet voor niets in de ondertitel van hun boek over de ‘ongewisse opkomst’ van de Republiek. Nationalisten, islamisten, socialisten en communisten trokken lang niet altijd samen op, maar deden afzonderlijk een greep naar de macht. Zodoende kunnen we gerust van een wonder spreken dat Indonesië, die grote archipel met zijn uiteenlopende culturen, een eenheidsstaat werd. Ironisch genoeg heeft Nederland als gemeenschappelijke vijand hierop zijn stempel gedrukt. Het federatieverband dat ons land bij de soevereiniteitsoverdracht in 1949 afdwong, werd al in het jaar daarop door de Indonesische regering aan de kant geschoven. Het uitgestrekte Java werd binnen de afgekondigde eenheidsstaat de dominante speler in de archipel.

Nederland en Indonesië huldigen dus een ander perspectief op de onafhankelijkheidsoorlog. Blijft staan dat het oogmerk is geweest om binnen het Nederlandse onderzoek meerstemmigheid tot uitdrukking te brengen. Behalve dat die wordt ondersteund door de inbreng van het dozijn Indonesische onderzoekers heeft men dit proberen te verwezenlijken door een apart deel te publiceren waarin ‘getuigen en tijdgenoten’ over de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog aan het woord worden gelaten: het uitgekomen deel Sporen van betekenis. Voorts mocht de Indonesische historicus Hilmar Farid in de epiloog van Over de grens onbekommerd reflecteren op dit ‘toch primair Nederlandse onderzoek’. Dat uit zich volgens hem in het voornamelijk raadplegen van rapporten en getuigenissen van Nederlandse militairen en geheime diensten naar aanleiding van het extreme Indonesische geweld tijdens de Bersiap, de eerste periode van de revolutie. Dit eenzijdige bronnenonderzoek zou volgens Farid geen recht doen aan het ‘multicausaal’ karakter van de toenmalige geweldpleging. Deze Indonesische onderzoeker onderkent dat er problemen waren om toegang te krijgen tot het Nationaal Archief van de Republiek Indonesië, maar een groot aantal memoires en autobiografieën van prominenten had “overvloedig informatie over deze periode kunnen bieden vanuit Indonesisch perspectief”. Die zijn niet gebruikt.

Welke kanttekeningen vallen tot nu toe te plaatsen bij dit Indonesië-onderzoek? Allereerst dat het door de onderzoekers aangebrachte onderscheid tussen wetenschappelijke publicaties en publicaties voor een breed publiek over dit onderwerp tamelijk kunstmatig is. Verder dat er in het rapport geen beschuldigende vinger wordt uitgestoken naar toenmalige Nederlandse regeringen, legerleiding en gouverneur-generaals. Die staan niet in de beklaagdenbank. Nee, institutioneel hebben ‘wij’ verzaakt. Daarenboven maakte de programmaleider vlak na de presentatie van het rapport een opvallende draai, omdat hij toegaf dat oorlogsmisdaden toch beter bij naam genoemd hadden mogen worden. Ten slotte kunnen we constateren dat het begrip meerstemmigheid nogal geforceerd is ingebracht. Het perspectief op het geweld blijft eenzijdig Nederlands. De medewerking van een beperkt aantal Indonesische onderzoekers en getuigenverklaringen van (nakomelingen van) Indonesiërs stellen dat beeld nauwelijks bij.

Mohammed Hatta

Sleutelfiguren

Er vallen nog meer kanttekeningen te plaatsen. Ze betreffen de ondermaatse aandacht voor Indonesische sleutelfiguren, evenals aan hun Nederlandstalige geschriften, het ontbreken van een duidelijk geopolitiek perspectief bij het analyseren van de toenmalige politieke situatie, en de afgebakende historische periode die is onderzocht. Die zaken kunnen allemaal gelinkt worden aan Nederlands geweld.

Dat – veelal extreme – geweld deed zich niet alleen voor in de bestudeerde periode 1945-1949, maar eveneens daarvoor én daarna. In mijn eerste artikel over Indonesië kwam naar voren hoe auteurs als Anne-Lot Hoek, Marjolein van Pagee en Martin Bossenbroek aantonen hoeveel repressie de Nederlandse kolonisator in drie-en-een-halve eeuw toepaste. Vaak onder het mom van zendingswerk, het aan de man brengen van ‘beschaving’, werden Indonesische regio’s op meedogenloze wijze bezet en vervolgens economisch geëxploiteerd. Hilmar Farid stelt in Over de grens daarom terecht dat de periode 1945-1949 niet los kan worden gezien van de voorafgaande koloniale periode. “De sociale geschiedenis van massageweld bestond al heel lang voor de ‘uitbarstingen van extreem geweld’ tijdens de revolutie.”

De verstrekkende invloed van sleutelfiguren als Soekarno, Mohammed Hatta en Soetan Sjahrir komt in Over de grens onvoldoende uit de verf. Die drie Indonesische politici van het eerste uur vonden het gerechtvaardigd om met militaire middelen tegen Nederland in het geweer te komen. Maar ze veroordeelden van hun kant het plegen van extreem geweld. Bijvoorbeeld het gruwelijke geweld dat pemoeda’s, dat wil zeggen door Japan getrainde Indonesische jongeren, in de eerste maanden na de onafhankelijkheidsverklaring in 1945 pleegden tegen Indische Nederlanders, Chinezen, Molukkers en Indonesiërs. Die hadden in hun ogen met de vijand geheuld. Naar schatting vielen er zo’n vierduizend dodelijke slachtoffers en werden tweeduizend personen als vermist opgegeven.

Alle drie waren pleitbezorgers van het socialisme, met de kanttekening dat Soekarno probeerde nationalisme, islamisme en communisme in harmonie met elkaar te brengen en dat je Hatta en Sjahrir het beste zou kunnen omschrijven als sociaaldemocraten. Hierdoor valt te begrijpen dat zij buitengewoon geweld van Indonesische zijde afwezen. Daar lag echter nog een andere reden aan ten grondslag: het conflict met Nederland probeerden zij voortdurend onder internationale aandacht te brengen. Vooral de Verenigde Naties moesten ervan doordrongen raken dat Indonesië vocht voor een gerechtvaardigde zaak en daarbij zelf buitensporig geweld vermeed.

Soetan Sjahrir

Coöperatie

Op 17 augustus 1945 riep Soekarno de Indonesische onafhankelijkheid uit. Hij werd president en Hatta vicepresident. Door Nederland werd Soekarno uitgesproken negatief afgeschilderd: als fascist en collaborateur. Vanaf de Japanse bezetting van Indonesië in 1942 werkten Soekarno en Hatta samen met de Japanners en dat deden ze omdat ze er vanuit gingen dat dit Aziatische broedervolk Indonesië op termijn de onafhankelijkheid zou gunnen. Dat was een verkeerde inschatting, want terwijl de Japanners dit inderdaad met de mond beleden waren er in hun land plannen om Indonesië in te lijven. Belangrijkste motief daarvoor was de bijzondere rijkdom van de Indonesische archipel aan delfstoffen als olie, rubber en tin.

Soekarno, een charismatische persoonlijkheid en een geweldig orator, wist uiteenlopende maatschappelijke groeperingen met elkaar te verbinden. En hij slaagde daar geruime tijd in. Vanzelfsprekend is hij in de eregalerij van Indonesische helden opgenomen en zijn invloed reikt tot op de dag van vandaag in Indonesië. De PDI-P, de grootste politieke partij, is de partij van Soekarno’s dochter Megawati die van 2001 tot 2004 president was en van de huidige president Joko Widodo.

Een en ander valt Soekarno zeker aan te rekenen: hij leverde Japan Indonesische dwangarbeiders waarvan zo’n 400 duizend tijdens het beulswerk omkwamen. Maar hij wordt in Indonesië geëerd als stichter van de hedendaagse natie, de grootste islamitische democratie ter wereld. Dat eerste is op zijn plaats, maar het tweede is discutabel. In 1957 zette hij namelijk de parlementaire democratie buiten spel. Het parlement fungeerde weliswaar als corruptie-instrument van politieke partijen en de politieke chaos in het land was compleet, maar Soekarno’s greep naar de macht valt niet te rechtvaardigen. Toen Soekarno ‘president voor het leven’ werd, kreeg hij dictatoriale neigingen. Hierover uit te wijden, voert buiten het bestek van de onderzoeksperiode 1945-1949. De eeuwenlange repressie van de Nederlandse kolonisator om het land rücksichtslos te kunnen exploiteren, heeft ongetwijfeld ook na de officiële soevereiniteitsoverdracht in 1949 zijn gewelddadige sporen in het maatschappelijk weefsel van Indonesië achtergelaten. 

In het Indonesië-onderzoek had meer aandacht mogen worden besteed aan de invloed van Soekarno tijdens de onafhankelijkheidsoorlog, en al helemaal aan zijn inspanningen om extreem geweld van Indonesische kant tegen te gaan. Waarom is dat niet gebeurd? Wordt Soekarno, die als president overal in de wereld welkom was maar niet in Nederland, tot op de dag van vandaag niet op waarde geschat? Betekenisvol is dat er tot nu toe, zover ik weet, slechts twee Nederlandse biografieën over Soekarno zijn verschenen. Het eerste is niet meer dan een biografische schets uit 1964 van Paul van ’t Veer. Deze biograaf zag het goed: het is niet juist om Soekarno en Hatta als collaborateurs te brandmerken. Als socialisten waren het felle tegenstanders van het Japanse fascisme. Met de nieuwe bezetter samenwerken, deden ze uitsluitend op grond van opportunisme. Ze waren er lang van overtuigd dat de geallieerden de oorlog zouden verliezen en dat Japan de Indonesische onafhankelijkheid zou bewerkstelligen. Vandaar dat ze kozen voor coöperatie met de Japanners, terwijl ze vóór de Tweede Wereldoorlog hadden gekozen voor non-coöperatie met de Nederlandse bezetter die overduidelijk Indonesië als kolonie wenste te behouden.

Buitenkant

Beslaat de biografie van ’t Veer uit 1964 niet meer dan negentig pagina’s, die van Lambert Giebels is qua omvang het andere uiterste: die verscheen in twee dikke delen, elk zo’n vijfhonderd pagina’s. Het eerste deel, Soekarno – Nederlandsch onderdaan kwam uit in 1999 en deel twee, Soekarno – President in 2001. Giebels spreekt in de ondertitel van beide delen van een biografie en hij heeft dus niet, ondanks de omvang ervan, de pretentie gehad de definitieve biografie het licht te doen zien. Die bescheidenheid siert hem. Ondertussen heeft hij een lezenswaardig boek geschreven over de man die weliswaar geen staatleider was, maar wel een nation builder. Het leven van Soekarno (1901-1970) wordt door Giebels beschreven in relatie tot politiek-maatschappelijke ontwikkelingen. Daardoor geeft het boek vooral een beeld van de turbulentie in Indonesië gedurende de eerste zeventig jaar van de vorige eeuw. Deze uitgebreide biografie behandelt dus hoofdzakelijk de politieke invloed van Soekarno. Maar over deze kleurrijke figuur, met zijn vele strapatsen, valt ongetwijfeld meer te zeggen. Giebels gaat, voor zover het diens persoonlijk leven aangaat, voornamelijk in op de erotomane Soekarno. Pas in de epiloog van het tweede deel graaft de biograaf dieper in de psyche van de president: die zou narcistisch en megalomaan zijn.
De Nederlandse journalist Willem Oltmans, die enige tijd tot de hofhouding van Soekarno behoorde, belicht in Mijn vriend Sukarno (1995) zijn persoonlijke relatie met de president, maar dit boek heeft te veel de trekken van een hagiografie. 

Vermeldenswaard is verder het toneelstuk ‘Soekarno’ uit 1995, geschreven door Jan Blokker en onder regie van Johan Doesburg, waarin Viktor Löw de Indonesische president vertolkt. Löw kreeg er de Louis d’Or voor, de jaarlijkse prijs voor de meest indrukwekkende manlijke rol. Toch worden we met dit theaterstuk van het Nationale Toneel niet veel wijzer van Soekarno. Het commentaar van recensent Noor Hellman in NRC Handelsblad luidde destijds dan ook: “[…] veel wijzer worden we er gek genoeg niet van. We zien een buitenkant (Soekarno de charmeur, de zelfingenomen praatjesmaker, de ijdeltuit) en van wat daar achter schuil gaat hebben we hooguit een vermoeden.”

Het is vreemd dat er meer dan twintig jaar na dato geen andere, laat staan wetenschappelijke biografie over Soekarno in ons land is verschenen. Dat archieven in Indonesië voor buitenlandse onderzoekers gesloten blijven, mag geen excuus zijn. Speelt het negatieve imago van de eerste president van Indonesië hem anno 2022 in Nederland nog steeds parten? Dat vermoeden bestaat. Onze koning noemde bij diens staatsbezoek in maart 2020 aan Indonesië de Proclamasi, de onafhankelijkheidsverklaring op 17 augustus 1945, maar niet de naam van Soekarno die hem uitsprak. De enigszins stiefmoederlijke behandeling in Over de grens van deze sleutelfiguur, als belangrijkste tegenstrever van de Nederlandse kolonisator tijdens de periode 1945-1949, laadt eveneens de verdenking van onverwerkt verleden op zich.

Tandem 

De invloed van Mohammed Hatta, die met een korte onderbreking van 1946 tot 1956 de functie van vicepresident vervulde, wordt in Over de grens eveneens beknopt behandeld. Hatta, die in Nederland een economieopleiding had gevolgd, was een intellectueel naar westerse snit. Samen met Soekarno vormde hij vanaf de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring een tandem (in het Indonesisch bekend als de dwi-tunggal). President Soekarno die een veel praktischer geest had dan Hatta was de vertolker van diens ideeën, in het bijzonder over de inrichting van het nieuwe Indonesië. Zeker tien jaar lang zou hun samenwerking vruchtbaar zijn, tot het moment dat Soekarno de parlementaire democratie niet geschikt achtte voor een Derde Wereldland als Indonesië. In Indonesië worden beide mannen geëerd als de founding fathers van de huidige republiek. Het vliegveld nabij Jakarta draagt gebroederlijk hun beider naam: Soekarno-Hatta. Dit drukt hun diepe verbondenheid uit, en terecht. In nauwe samenwerking voerden zij hun land naar de onafhankelijkheid. Aan het begin van hun boek Merdeka geven Henk Schulte Nordholt en Harry Poeze een beeld van het sterfbed van Soekarno. Na elkaar vele jaren gemeden te hebben, zien de voormalige president en vicepresident elkaar weer. “Ze hielden elkaars hand vast. Veel hoefden ze ook niet te zeggen, want ze wisten: het is ons gelukt.” Een theatrale scène van mythische proporties.

In de politieke biografie Indonesia Free die Mavis Rose over het leven van Mohammed Hatta schreef, krijgt deze scène aan het doodsbed van Soekarno meer reliëf (eveneens aangehaald door Giebels). Vermeld wordt dat Soekarno in het Nederlands (!) aan zijn compagnon van destijds vraagt hoe het met hem gaat. Daarbij stroomden de tranen over zijn gezicht. Soekarno was vervolgens niet in staat om nog langer te spreken en Hatta deed er het zwijgen toe. “Het leek wel of ze tot elkaar spraken met hun hart”, aldus de eveneens aanwezige Meutia, dochter van Hatta.

Voor een buitenstaander komt dit misschien over als een wat pathetisch tafereel, maar dat deze twee mannen hun stempel hebben gedrukt op het onafhankelijke Indonesië staat buiten kijf. Daarvan is te weinig terug te vinden in Over de grens.

Mohammed Hatta, die na zijn politieke loopbaan hoogleraar werd, schreef veel over politiek, economie en religie. Zijn belangwekkende geschriften zijn zowel in het Nederlands als het Engels uitgekomen. Merkwaardig genoeg zijn die niet opgenomen in de selectie van Nederlandse en Engelstalige bronnen achterin Over de grens.

Daarvan maakt wel deel uit het Nederlandstalige Indonesische overpeinzingen van Soetan Sjahrir, in 1945 de eerste premier van Indonesië. Hij, voorman van de socialistische partij in het land, speelde een belangrijke rol in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Indonesische overpeinzingen, voor het eerst verschenen in 1945 bij uitgeverij De Bezige Bij, werd gepresenteerd als dagboek van Sjahrir, die door de Nederlandse kolonisator in de jaren dertig naar afgelegen, onherbergzame oorden in de Indonesische archipel werd verbannen. Oorspronkelijk waren het verzamelde brieven aan zijn geliefde Maria Duchâteau. Met haar zou hij met de handschoen trouwen, maar weer scheiden toen zij elkaar na vele jaren zagen. Sjahrir, die evenals Hatta in Nederland had gestudeerd, laat zich in Indonesische overpeinzingen kennen als westers intellectueel. Maar was Hatta de wat steile theoreticus, Sjahrir had meer een onderzoekende geest. Wat ze gemeen hadden, was dat ze breed ontwikkeld waren. Vorig jaar verscheen bij uitgeverij Van Oorschot van Sjahrir Wissel op de toekomst – Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde, bezorgd door Kees Snoek. Deze uitgave is eveneens een selectie van de brieven aan Maria Duchâteau (nu niet verpakt als dagboekaantekeningen). Alleen ligt het accent in deze publicatie meer op de persoonlijke ontboezemingen van de brievenschrijver Sjahrir aan zijn geliefde. In het oorspronkelijke Indonesische overpeinzingen, een gedeeltelijk andere keuze van de brieven, ligt het accent meer op zijn politieke opvattingen. Dat is ook het geval in de verhelderende biografische schets  van Sjahrir, ‘strijder in een overgangstijd’, die bezorger Kees Snoek achterin Wissel op de toekomst heeft opgenomen. Alleen al om die reden had dit boek deel mogen uitmaken van de bronnenlijst in Over de grens. Verder is het, net als in het geval van Mohammed Hatta, wachten op een Nederlandstalige biografie van Soetan Sjahrir. Samen waren ze eind 1945 verantwoordelijk voor de invoering van een parlementaire stelsel in Indonesië, overigens een democratisch experiment van korte duur. En net als Soekarno veroordeelden zij in de periode 1945-1949 extreem geweld tegen Indische Nederlanders, Chinezen en Molukkers door Indonesische groeperingen. Daar had, als contrapunt van het Nederlandse geweld, uitgebreider op in mogen worden gegaan.

Gruwelbeeld

In Over de grens wordt de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog in een internationale context geplaatst. Omdat snel na het uitkomen van dit samenvattende rapport het deel Diplomatie en geweld verscheen, dat uitvoerig gewijd is aan deze thematiek, richt ik mij voor dit onderdeel op deze publicatie. Daarin staat dat de Verenigde Staten zich positioneerde als dé antikoloniale mogendheid. Engeland was betrokken bij Indonesië omdat het, voordat het Nederlandse leger er in 1945 voet aan wal zette, vergeefs de orde probeerde te bewaken in de hectiek van de kersvers geproclameerde republiek. En zoals Nederland zijn Indonesische kolonie trachtte te behouden, zo deed Frankrijk dat met Vietnam. 

Daarnaast was Nederland voor de voormalige geallieerde landen VS, Engeland en Frankrijk van belang bij het de kop indrukken van het communisme in West-Europa. Ter illustratie: de PCF, de Franse communistische partij, kwam bij de parlementsverkiezingen in 1946 als grootste uit de bus en in Nederland was de CPN bij de eerste naoorlogse verkiezingen in datzelfde jaar ook behoorlijk succesvol: de partij behaalde tien zetels. In de Koude Oorlog die volgde op de Tweede Wereldoorlog moest voorkomen worden dat nationale communistische partijen massapartijen werden en in hun land een greep naar de macht zouden doen. Dit is een belangrijke reden waarom Nederland weinig in de weg werd gelegd om Indonesië na de Tweede Wereldoorlog te rekoloniseren. 

Aan de andere kant achtte met name de Verenigde Staten het van het grootste belang dat Indonesië, met een invloedrijke communistische partij, niet binnen de invloedssfeer van de Sovjet-Unie of die van China zou vallen. Als dat zou gebeuren, zou heel Zuidoost-Azië mogelijk ten prooi vallen aan het communisme. Een gruwelbeeld voor de westerse democratieën. Daarom probeerde men het conflict tussen Nederland en de Republiek Indonesië via de Verenigde Naties te beslechten, overigens op halfhartige wijze. Zo kwamen er tegen Nederland wapenembargo’s, die door de VS en Engeland meer dan eens werden omzeild omdat ze van hun overtollige wapens uit de Tweede Wereldoorlog af wilden.

Vanuit de Veiligheidsraad werd een Commissie van Goede Diensten (CGD) ingesteld, bestaande uit internationale bemiddelaars en militaire waarnemers, die extreme geweldsincidenten in kaart moesten brengen. Met name de invloed van de Amerikanen was daarin groot. Jeroen Kemperman onthult in zijn bijdrage in Geweld en diplomatie dat men binnen de CGD van mening was dat het geweld het beste beheerst kon worden door het niet te benoemen. Voorop stond het bereiken van een politieke oplossing. Dat is de reden waarom er in de archieven van de CGD weinig is terug te vinden over gepleegde extreme gewelddadigheden.

Daarmee geeft Kemperman antwoord op de vraag die David van Reybrouck in zijn boek Revolusie stelt: “De dodentrein van Bondowoso werd eind december 1947 aangehaald in de VN-Veiligheidsraad in New York, maar… er werd geen gevolg aan gegeven. De slachting bij Rawagede verbijsterde de Commissie van Goede Diensten, maar… werd buiten het eerste interim-rapport van de VN-Veiligheidsraad gehouden. Waarom?” 

Eigendomsrechten

Op het punt van het ontwijken van wapenembargo’s en het verhullen van extreem geweld (nota bene: extreem wordt in het boek zonder uitleg tussen haakjes geplaatst) levert Geweld en diplomatie nieuwe inzichten op. Maar de toenmalige visies van landen als de VS en Engeland op het Nederlands-Indonesisch conflict zijn reeds langere tijd bekend. Opmerkelijk is dat de auteurs dit conflict in een internationale context plaatsen, zonder een uitgesproken geopolitiek perspectief. Ja, er wordt gewezen op de geopolitieke strijd met de Sovjet-Unie waarbij het van cruciaal belang was – gezien de strategische ligging van de archipel – dat Indonesië in het westerse kamp zou blijven. Maar behalve een ideologisch motief lag er een economisch motief ten grondslag aan de bemoeienis van de Verenigde Staten aan het Nederlands-Indonesische conflict. En dat was minstens zo belangrijk. In Diplomatie en geweld wordt naar voren gebracht dat de westerse grote mogendheden ‘in de kern’ hun eigen particuliere geopolitieke én economische belangen najoegen. Dat was het belangrijkste richtsnoer van hun beleid.

Naar mijn mening maakt het najagen van economische belangen deel uit van het bedrijven van geopolitiek. Om precies te zijn, het is vaak de drijfveer van geopolitiek. En ik sta met dit standpunt niet alleen. In De Groene Amsterdammer van 19 mei 2022 vat Rutger van der Hoeven het werk van de vooraanstaande politicoloog Helen Thompson goed samen: “De moderne economie is gebaseerd op energie, en de onderlaag van energie – hoe olie, gas en kolen en andere brandstoffen worden geproduceerd, verkocht en geconsumeerd – is de voornaamste aanjager van wat er in de bovenlaag van internationale en binnenlandse politiek gebeurt.”

De geopolitiek die Nederland gedurende drie-en-een-halve eeuw ten aanzien van de Indonesische archipel aan de dag legde, was primair ingegeven door economische uitbuiting. Eerst ging het om dure producten als nootmuskaat, later om felbegeerde grondstoffen als olie. In de degelijke masterscriptie Treasures of the Soil laat Melle van Maanen zien hoe de Nederlandse politiek na het verdwijnen van het Cultuurstelsel rond 1870 zich beijverde om steun te verlenen aan Nederlandse bedrijven in Indonesië. Binnen het Cultuurstelsel werd de inheemse bevolking gedwongen om producten als koffie en thee te verbouwen, waarvan de opbrengst naar de Nederlandse schatkist vloeide. Met andere middelen werd dit beleid voortgezet. Zo werd in 1899 een mijnwetgeving van kracht waarin werd gesteld dat mineralen aan niemand toebehoorde, terwijl tegelijkertijd de koloniale staat beweerde zelf erfgenaam te zijn van deze bronnen. Een merkwaardige trouvaille, want hiermee werd volledig voorbijgegaan aan het gegeven dat er al sprake was van eigendom. Exploitatie van kostbare mineralen schoof inheemse eigendomsrechten echter opzij.

De Dordtsche Petroleum Maatschappij, opgericht in 1887, was het eerste Nederlandse bedrijf dat op Java naar olie boorde. In 1911 werd de Dordtsche overgenomen door Koninklijke Olie, dat op zijn beurt in 1907 samenging met Shell. De nieuwe combinatie zou bekend worden als Royal Dutch Shell (tot 1 januari van dit jaar, sindsdien heet het als Brits bedrijf gewoon Shell). Melle van Maanen had als nazaat van de oprichter van de Dordtsche Petroleum Maatschappij, Adriaan Stoop, voor zijn onderzoek toegang tot archieven van Shell. Maar alle alarmbellen gingen bij Shell af, zei een werknemer van het concern tegen Van Maanen, toen het woord koloniaal viel. Prompt werd hem de toegang tot bepaalde archieven ontzegd. Het voorbeeld van de Dordtsche, als eerste voorloper van Shell, laat zien hoe politiek en economie met elkaar verstrengeld waren. Vanuit een geopolitieke invalshoek had daarover in Over de grens een en ander gezegd mogen worden. Zeker omdat oliewinning in Indonesië van het begin af aan in verband kan worden gebracht met het uitoefenen van geweld door de koloniale mogendheid Nederland. Bijvoorbeeld in de periode 1945-1949 toen gestreefd werd naar het veiligstellen van de Nederlands handelsbelangen. 

Dit komt overeen met wat socioloog Jan Breman in De Groene Amsterdammer van 26 mei 2022 schreef: “Het economisch motief voor behoud werd [in de Nederlandse politiek] breed uitgemeten – Indië verloren, rampspoed geboren – en was ingegeven door angst dat het nationaal inkomen een vrije val zou maken. Linkse stromingen die aandrongen op het erkennen van de Republiek Indonesia werden ronduit van landverraad beticht.”

Reliëf bij de heldenbegraafplaats in Koto Nan Gadang, Payakumbuh.

Nederlands-Nieuw-Guinea

De Verenigde Staten streefden in de eerste plaats hun eigen belang na bij het Nederlands-Indonesische conflict. Nederland werd als medestander in de strijd tegen het communisme de hand boven het hoofd gehouden. Maar toen onder andere de olievelden van de Amerikaanse Standard-Vacuum Oil Company op Sumatra in gevaar dreigden te komen, veranderde deze steunbetuiging. De angst bestond namelijk dat als reactie op een Nederlandse operatie er Indonesische vernielingsacties zouden plaatsvinden. Jeroen Kemperman zegt in Diplomatie en geweld dat Nederland zijn aanspraak op zijn kolonie moest opgeven, omdat er internationaal een grote behoefte bestond aan voedingswaren en grondstoffen uit Indonesië die door het conflict niet in voldoende mate op de wereldmarkt kwamen. “Een zich voortslepende strijd in Indonesië zou niet alleen nadelig zijn voor de economie van Nederland, maar ook voor de economische belangen van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Sterker nog, de hele wereldeconomie zou verstoken blijven van de nodige plantaardige olie, thee, suiker en petroleum.”

De Verenigde Staten zetten Nederland onder druk door te dreigen de Marshallhulp op te schorten. Aan gelden beliep dat in de miljoenen, die broodnodig waren om het naoorlogse Nederland weer op de rails te krijgen. Om te beginnen werd het steunprogramma aan Nederlands-Indië uitgesteld. Verdere dreiging van het stopzetten van de Marshallhulp leidde ertoe dat Nederland instemde om met de Indonesische Republiek weer om de tafel te gaan zitten. Het gevolg was de overeenkomst tot een snelle overdracht op 27 december 1949.

Opmerkelijk is dat David van Reybrouck in Revolusi op dit cruciale punt een andere mening aan de dag legt en dat daarover in Diplomatie en geweld geen weerwoord staat. Volgens Van Reybrouck ging Nederland niet door de Marshallhulp overstag, maar vanwege het opschorten van de Navo-fondsen. En het ging om veel geld: de militaire hulp die de Verenigde Staten in het kader van de Navo verstrekte voor het komende decennium bedroeg maar liefst vier-en-een-half miljard gulden. Van Reybrouck: “De Verenigde Staten waren nog steeds de grote spelverdeler, alleen waren ze nu van kamp veranderd, niet door een bevlieging van antikolonialisme, maar door een steeds virulenter anticommunisme. De VN was het vehikel voor hun geopolitieke eigenbelang.”

Een laatste kanttekening die ik wil plaatsen heeft betrekking op de afgebakende periode waarin het Nederlands geweld is onderzocht: van de onafhankelijkheidsverklaring, de Proclamasi, op 17 augustus 1945 tot de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. In Soekarno’s ogen was de revolutie die hij en zijn medestrijders in gang hadden gezet daarmee niet geëindigd. Integendeel, Nederland deed geen afstand van Nederlands-Nieuw-Guinea (Irian Jaya). Dat werd vanuit Nederland verdedigd door te beweren dat de inheemse bevolking, de Papoea’s, niet op eigen benen konden staan. Inlijving bij Indonesië was al helemaal niet aan de orde, nee, onder de bevoogdende leiding van Nederland zou dit westelijk deel van het eiland Nieuw-Guinea ooit in de toekomst zijn zelfstandigheid verkrijgen. Een doortrapte tactiek om het land, zeer rijk aan grondstoffen, zo lang mogelijk als wingewest te behouden.

De jarenlange inzet van Indonesië, onder leiding van een verbeten president Soekarno, was echter om Nederlands-Nieuw-Guinea te annexeren. De omvang van de voormalige Nederlandse kolonie moest de buitengrens worden van de Indonesische Republiek. De Indonesiërs probeerden eerst hun gelijk te halen via de internationale diplomatie, later door militaire interventies in Nederlands-Nieuw-Guinea. In 1962 kreeg het land zijn zin en moest Nederland zijn laatste stuk kolonie aan de Republiek Indonesië afstaan. Gezien het geweld dat hiermee gepaard ging, van beide zijden, valt goed te verdedigen dat de onderzochte periode opgerekt had mogen worden tot 1962. 

Het valt buiten het bestek van dit artikel, maar er is over de periode 1949 tot 1962 veel te zeggen. In de eerste plaats dat Nederland de Papoea’s van Nederlands-Nieuw-Guinea als een baksteen heeft laten vallen. Door een gemanipuleerd referendum, dat plaatsvond toen de Indonesiërs er al lang en breed zaten, zou de bevolking zich hebben uitgesproken voor aansluiting bij de Indonesische Republiek. Ondertussen vond er veel binnenlands protest plaats dat door de Indonesische bezetter zeer hardhandig werd onderdrukt. Het is het onderzoeken waard in hoeverre Nederland als voormalige kolonisator dit extreme geweld van de Indonesiërs in de hand heeft gewerkt.

– – – – – – – – – – – – – –

Literatuur (in behandelde volgorde):

Over de grens – Nederlands extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, 1945-1949. Eindredactie Gert Oostindie, Ben Schoenmaker, Frank van Vree. Met een epiloog van Hilmar Farid. Amsterdam University Press 2022.

Christiaan Harinck: Zoeken, aangrijpen en vernietigen! – Het Nederlands militair optreden in Indonesië 1945-1949. Uitgeverij Prometheus. Amsterdam 2022.

Paul van ’t Veer: Soekarno – Kopstukken van de twintigste eeuw. Uitgeverij Kruseman. Den Haag 1964.

Lambert Giebels: Soekarno – Nederlandsch onderdaan. Een biografie 1901-1950. Uitgeverij Bert Bakker. Amsterdam 1999.

Lambert Giebels: Soekarno – President. Een biografie 1950-1970. Uitgeverij Bert bakker. Amsterdam 2001.

Mavis Rose: Indonesia Free – A Political Biography of Mohammad Hatta. Cornell Modern Indonesia Project, Monograph Series, No. 67. New York 1987.

Soetan Sjahrir: Indonesische overpeinzingen. Uitgeverij De Bezige Bij. Amsterdam 1987 (oorspronkelijke uitgave 1945).

Sjahrir: Wissel op de toekomst – Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde. Bezorgd door Kees Snoek. Uitgeverij Van Oorschot. Amsterdam 2021.

Jeroen Kemperman, Emma Keizer, Tom van den Berge: Diplomatie en geweld – De internationale context van de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, 1945-1949. Amsterdam University Press. Amsterdam 2022.

Melle van Maanen: Treasures of the Soil – The Dordt Petroleum Company, colonial law and land struggle over mineral resources in the Netherlands Indies, 1870-1911. Master Thesis. Colonial and Global History. Leiden University. Leiden 4 november 2021.

Zie voor de andere gebruikte titels de literatuurlijst bij het vorige artikel over Indonesië.

Jelle Jeensma

Schrijver Jelle Jeensma

Als journalist publiceerde ik over uiteenlopende onderwerpen, maar vooral over film, literatuur en onderwijs. Ik redigeerde boeken, tijdschriften, brochures en artikelen. Van diverse filmbladen en universiteitsbladen was ik hoofd- of eindredacteur. Bij een dagblad was ik chef kunst. Als freelancer werkte ik voor verschillende journalistenbureaus. Als ghostwriter kroop ik in de huid van anderen en schreef ik zowel persoonlijke als zakelijke stukken.

Bekijk de essays van Jelle Jeensma

Reageer ook 2 reacties

Uw reactie