Ideologische verschillen geven inhoud aan de democratie

Op Wim Kok werd na zijn overlijden meer commentaar geleverd dan op Ruud Lubbers, die begin van dit jaar stierf. De verklaring hiervoor moeten we vooral zoeken in de sociaaldemocratie. De traditie van deze politieke stroming toont een rijk gedachtegoed, waarbinnen kritiek binnen de eigen gelederen niet wordt geschuwd. Geen slechte zaak, want zelfkritiek biedt gelegenheid tot inzicht.

CDA-politicus Ruud Lubbers, die leidinggaf aan drie kabinetten, werd in februari van dit jaar door de pers hoofdzakelijk geëerd met hagiografieën. Naar aanleiding hiervan schreef ik een beschouwing. Hierin probeerde ik duidelijk te maken dat hij als eerste gezaghebbend politicus het neoliberalisme in ons land vaste voet aan de grond gaf. PvdA-politicus Wim Kok, premier van twee Paarse kabinetten, werd na zijn overlijden kritisch bejegend. Eerst overheersten de positieve geluiden (over de doden niets dan goeds). Jan Joost Lindner en Remco Meijer noemden Kok, bij al zijn beperkingen, in de Volkskrant van 22 oktober “een karaktervol premier van formaat”. En het artikel van Jan Hoedeman diezelfde dag in Het Parool kreeg als titel mee: “Integer en wars van ideologische rimram”. De in memoriams waren van hetzelfde laken een pak. Het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders repte van een groot staatsman, evenals VNO NCW en MKB Nederland in een gezamenlijke annonce. Alom viel te beluisteren dat Kok premier van alle Nederlanders was geweest en dat hij boven de partijen stond. Dat vond zowel links als rechts Nederland.

Minister van Staat

Wim Kok kreeg van koningin Beatrix de eretitel Minister van Staat toebedeeld, net als Ruud Lubbers. Niet iedere Nederlandse premier komt daarvoor in aanmerking. Zo kregen CDA’ers Dries van Agt en Jan Peter Balkenende de titel niet. Beatrix kon niet goed overweg met de onnavolgbare Van Agt en Balkenende zal ze te onbeduidend hebben gevonden. In een enquête uit 2017 in Elsevier Weekblad onder kenners van de Nederlandse politieke geschiedenis viel Wim Kok, net als Ruud Lubbers, in de categorie ‘Bijna groot staatsman’. Slechts twee premiers kregen vanaf 1848 het predicaat ‘Groot staatsman’: de liberaal Johan Rudolf Thorbecke en de sociaaldemocraat Willem Drees. Daar valt weinig op af te dingen. Aan Lubbers kleeft het imago van de politicus-ondernemer die, toen hij premier van Nederland was, ook de zaakjes voor zijn familiebedrijf Hollandia Kloos behartigde. Kok wordt vooral herinnerd als een goed bestuurder, die het politieke handwerk weliswaar in de vingers kreeg maar zich niet profileerde als een bevlogen politicus, zoals zijn voorganger Joop den Uyl. Kok had een technocratische en anti-ideologische stijl, zoals Patrick Overeem, docent Politieke theorie aan de VU, aangaf in een ingezonden stuk op 25 oktober in NRC. Hij was de polderaar bij uitstek, die in debatten geen tegenstellingen maar raakvlakken benadrukte. Het Financieel Dagblad kopte op 22 oktober boven een portret van Wim Kok door Lien van der Leij terecht: “Vakbondsman, bescheiden polderaar, maar vooral pragmatist”. Ik heb van de low profile politicus Wim Kok nog iets meegekregen. Toen hij in de aanloop van de Tweede Kamerverkiezingen van 1998 deelnam aan een debat aan de Erasmus Universiteit trad ik op als voorzitter. Links van mij zat Kok en rechts van mij Jan Pronk. De tweede hield een gloedvol betoog, voor Kok leek het bezoekje aan de Rotterdamse campus op corvee dat hij met tegenzin verrichtte.

Wim Kok kan bogen op wapenfeiten. In kort bestek: het Akkoord van Wassenaar in 1982, waarbij hij als vakbondsleider tot een vergelijk kwam met de werkgevers inzake de aanpak van de werkeloosheid. Vrijwillige loonmatiging werd ingeruild tegen meer werkgelegenheid. In 1991 nam hij vanuit het derde kabinet-Lubbers medeverantwoordelijkheid voor een ingrijpende bezuiniging op de arbeidsongeschiktheidsverzekering WAO. Het aantal WAO’ers en mensen in de Ziektewet was gestegen tot 1,2 miljoen. Deze ingreep getuigde van moed, want vanuit zijn partij bestond hier grote weerstand tegen. Een jaar later was hij als minister van Financiën nauw betrokken bij het Verdrag van Maastricht, dat de weg effende voor de Europese Unie. Bij het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en Máxima zette Kok met succes Max van der Stoel in. Die kreeg voor elkaar dat Jorge Zorreguita, de vader van Máxima, als gewezen minister onder de Argentijnse junta thuisbleef.
En dan de twee kabinetten van Kok. Die gingen niet de geschiedenis in als Kok-I en Kok-II, maar als Paars-I (1994-1998) en Paars-II (1998-2002). De confessionelen werden buiten de regering gehouden en dat was sinds 1918 niet meer gebeurt. Paars stond voor de combinatie van liberalen (blauw) en sociaaldemocraten (rood). Wim Kok noemde Paars zelf “een doodgewoon kabinet”. En ja, daar zit wat in: het bedrijven van goede politiek betekent toch niet per definitie dat PvdA en VVD elkaar moeten uitsluiten? Democratie houdt juist in dat in principe geen enkele democratische partij van regeringsdeelname wordt uitgesloten.

Butsen

Wim Kok was niet vrij van butsen. Een vernietigend NIOD-rapport leidde tot het voortijdig einde van het tweede kabinet van Kok. Dat rapport ging over de massamoord in Srebrenica, in 1995 door de Serviërs, ten tijde van het eerste kabinet van Kok. Als reden gaf de sociaaldemocratische minister-president op dat hij zich niet schuldig maar wel verantwoordelijk voelde voor deze genocide. Een moreel juist standpunt. Kok leed er zichtbaar onder.
Roemrucht is de Den Uyl-rede die Wim Kok op 11 december 1995 uitsprak. Hij zei bij die gelegenheid: “Het afschudden van ideologische veren is voor een politieke partij als de onze niet alleen een probleem, het is in bepaalde opzichten ook een bevrijdende ervaring.” Op die uitspraak zijn heel wat exegeses losgelaten. Wat bedoelde Kok hier nu precies mee? Had de voormalige arbeiderspartij PvdA zich nu helemaal tot het kapitaal bekeerd? Of wilde Kok zijn partij ontdoen van sommige ideologische veren? En mocht dit laatste het geval zijn, welke dan? Er bleef veel onduidelijk.
Het was een publiek geheim, maar Thijs Niemantverdriet geeft het prijs in zijn portret van Wim Kok in NRC van 22 oktober: partijgenoot Bram Peper, de intellectuele ghostwriter die deze lezing van Kok had geschreven, was verantwoordelijk voor de metafoor van die af te schudden ideologische veren. Maar het lag nog iets anders: zijn toenmalige echtgenote Neelie Kroes, prominent VVD-politica, had haar man het pregnante beeld aangereikt.
Het idee ontstond dat Wim Kok het neoliberale beleid van de drie kabinetten-Lubbers had voortgezet. Ontdaan van ideologie had Kok op pragmatische wijze met zijn twee Paarse kabinetten politiek bedreven. Voor Thijs Niemantsverdriet in NRC is het neoliberale beeld rondom Kok zoveel jaar later niet geweken. “Sober sociaal-democraat die liberaal regeerde”, luidde zijn oordeel. Was voormalig vakbondsman Kok als politicus Kok naar rechts opgeschoven? Feit is dat hij in zijn Den Uyl-lezing zei een verklaard tegenstander te zijn van ‘exhibitionistische’ salarisverhogingen voor topmanagers. Velen die Wim Kok eerst nog goed gezind waren, keerden hem in 2004 de rug toe toen hij als ING-commissaris instemde met een buitengewone salarisverhoging voor de raad van bestuur. De sociaaldemocraat had zich laten inkapselen door het grootkapitaal, zong rond. Kok grossierde in commissariaten nadat hij zijn politieke carrière in 2002 had beëindigd. Behalve bij ING stond hij als commissaris op de loonlijst van KLM, Shell en TPG Post.

Dwaalwegen

In landen als Engeland (Tony Blair), Duitsland (Gerhard Schröder) en de Verenigde Staten (Bill Clinton) bestond bewondering voor de Paarse kabinetten van Wim Kok. Hij leek door zijn pragmatische benadering om tegenstellingen te overbruggen de verzorgingsstaat en het marktkapitalisme met elkaar te hebben verzoend. De Derde Weg werd dat genoemd. Hij was daarin degene die geestverwante politieke partijen in andere landen tot voorbeeld strekte. “Wim was first”, meende de Amerikaanse president Bil Clinton in 1999. Kok was echter geen intellectueel, hij was een doener, en hij zag zichzelf helemaal niet als de ideologische grondlegger van iets als de Derde Weg. Koks ster aan het politieke firmament maakte onverwachts een diepe val. Vlak na het opstappen van zijn tweede kabinet naar aanleiding van het Srebrenica-rapport vond in 2002 de moord op Pim Fortuyn plaats. Bij de Tweede Kamerverkiezingen negen dagen later werd de PvdA gehalveerd – van 45 naar 23 zetels. Was dit Koks erfenis?

Wim Kok had de ideologische veren van de PvdA afgeschud. Hij was wars van ideologie. Als pragmaticus heeft hij zijn partij op geen enkele wijze met theoretische inzichten verrijkt. Boeken over de sociaaldemocratie of over zijn eigen positie in deze politieke stroming heeft hij niet geschreven. Daarin is hij een uitzondering, want vooraanstaande partijgenoten als Bram Peper en Ed van Thijn deden dat wél. Zelfs Koks toespraken en lezingen zijn niet gebundeld, zoals Job Cohen deed met de bundel Binden (2009).

De PvdA kent een rijke traditie in het leveren van commentaar op de sociaaldemocratie in veranderende tijden. Veel meer, in mijn ogen, dan de VVD en het CDA binnen respectievelijk het liberale en confessionele denken. Bij het CDA wordt altijd maar geschermd met Ruijs de Beerenbroek, die politiek actief was in de eerste helft van de vorige eeuw. De VVD hijst regelmatig de negentiende-eeuwse econoom John Stuart Mill op het schild. En anders wel Cort van der Linden, die van 1913 tot 1918 als premier leidinggaf aan een extraparlementair kabinet bestaande uit linkse en rechtse liberalen. Maar bij de PvdA worden boeken en rapporten bij de vleet gepubliceerd over de dwaalwegen die de sociaaldemocratie de afgelopen eeuw zou zijn ingeslagen. Die publicaties zijn niet vrij van zelfkastijding, maar ze proberen diepgravend te zijn. Zo hebben partijideologen als Jos de Beus en Bart Tromp de afgelopen decennia kritische bijdragen geleverd.

Overlevingsstrategie

Ik heb er een paar boeken op nageslagen die in het naaste verleden de positie van de sociaaldemocratie in het algemeen en die van Wim Kok in het bijzonder belichten. Leven na Paars – Linkse visies op de derde weg (2001) bevat uiteenlopende artikelen waarin een verkenning plaatsvindt van de relatie tussen sociaaldemocratie, Paars en de Derde Weg. PvdA’ers Jet Bussemaker en Rick van der Ploeg wijzen er in hun bijdrage op dat mensen zich in hun gedrag niet alleen “en zelfs niet voornamelijk” laten leiden door “economische calculaties”. “Besef van afhankelijkheid en sociale verbondenheid zijn zeker zo belangrijk, zo niet belangrijker.” Tegen de achtergrond van het tweede Paarse kabinet, dat dan nog regeert, schrijven zij: “Zonder onderscheidende politieke agenda’s van de grote politieke partijen is het onmogelijk burgers te interesseren voor de democratische besluitvorming en de politiek.” Bussemaker en Van der Ploeg hadden door dat er iets moest veranderen in het politieke klimaat in Nederland: minder pragmatisme, minder gepolder, meer debat, meer politieke vergezichten (visies op de inrichting van de maatschappij). Ik zeg zeventien jaar later in hun kielzog: het afstoffen van de tegenstelling tussen links en rechts op het vlak van politiek en cultuur, waarvan menigeen beweert dat dit onderscheid niet langer relevant zou zijn, is niet minder dan een overlevingsstrategie. Die tegenstelling ís er namelijk zolang het schrijnende verschil tussen arbeid en kapitaal navrant is. Uit het recent verschenen jaarlijkse miljardairsrapport van accountant PwC en de Zwitserse bank UBS blijkt dat de allerrijksten van de wereld in 2017 opnieuw een stuk rijker zijn geworden. Door de aandelenhausse, stijgende vastgoedprijzen en economische groei zagen ze hun gemiddelde vermogen met 19 procent stijgen (uit Het Parool van 26 oktober). Tegelijkertijd blijkt deze week uit cijfers van het Centraal Planbureau dat steeds meer gezinnen in ons land langdurig arm zijn en een beroep moeten doen op de Voedselbank.

Bart Tromp sloeg al in 1990 de spijker op zijn kop toen hij in zijn oratie Het einde van de politiek? naar voren bracht: “[…] het is niet de uitputting van ideologieën die politieke controverses in de huidige democratieën onmogelijk maakt. Dat is veeleer de tekortschietende kwaliteit van partijen en politici, die er nauwelijks in slagen het politieke karakter van belangrijke kwesties aan de staatsburgers uit te leggen.” In die dagen werd het einde van de ideologieën gepredikt, maar in feite komt het erop neer dat politiek te zeer is overgegaan in bestuur, aldus Tromp. Toegespitst op Lubbers en Kok: dat waren goede bestuurders, die maatschappelijke tegenstellingen toedekten en de BV Nederland door rigoureuze bezuinigingen weer op orde wilden brengen. Praktijkoplossers, die de markt alle ruimte gaven. Later hebben we het desastreuze effect van dit neoliberale beleid gezien; met name aan de hand van de onnodige privatisering van (semi-)overheidsinstellingen. Geprivatiseerde organisaties blijken meestal níet efficiënter en effectiever te zijn. Wel commerciëler, met alle nadelige gevolgen van dien. De belangrijkste: het dienstenaanbod verslechtert en het personeel wordt uitgeknepen, met het faillissement van een paar ziekenhuizen als laatste fenomeen.
In 2002 herhaalde Bart Tromp in een opiniestuk in NRC Handelsblad zijn opvatting over het belang van ideologieën. Zijn analyse van twee kabinetten-Kok: “Onder paars werd het verschil tussen ‘links’ en ‘rechts’ […] tot achterhaald verklaard, met hartelijke instemming van wat de voornaamste oppositiepartij had moeten zijn, het CDA. De laatste bleek bovendien als oppositiepartij krachteloos, omdat het paarse beleid in veel opzichten een voortzetting was van de voorgaande, door het CDA gedomineerde kabinetten, iets wat oud-premier Lubbers toentertijd voor alle zekerheid uiteen heeft gezet in de International Herald Tribune.”

Bestuur en debat

In Met Kok over veranderend Nederland (2005) noemt auteur Henk te Velde de twee belangrijke taken van de overheid: politiek en bestuur. Dat zijn twee duidelijk van elkaar te onderscheiden activiteiten. Politiek bedrijven is staan voor je zaak, debatteren over politieke standpunten. Besturen is het uitvoeren van beleidsmaatregelen die in het parlement een meerderheid hebben behaald. Te Velde: “Een van de problemen van de politiek van de jaren tachtig en negentig was dat bestuur en debat niet meer zo gemakkelijk te verbinden waren als nog in de jaren zeventig mogelijk leek. Dat had te maken met de terugtocht van ambities die politici toen ook naar eigen gevoel inzetten. Nadat onder Lubbers en Kok daardoor politiek vooral als bestuur werd opgevat en de behoefte aan debat zich niet in de laatste plaats uitte in nostalgie naar Den Uyl, had Fortuyn in 2002 de pretentie een radicaal perspectief te bieden.” De uitgever achtte de inhoud van Met Kok over veranderend Nederland blijkbaar nog dermate actueel dat er een dezer dagen een herdruk van het boek verscheen.
Medeauteur Piet de Rooy nuanceerde in een opiniestuk in NRC van 27 oktober het gangbare beeld dat Wim Kok met zijn pragmatische aanpak afbreuk deed aan de politiek: “De politiek van Kok wordt doorgaans ideologisch bij de Derde Weg ingedeeld, waarbij het socialisme een deel van het liberalisme overnam. Dat is maar ten dele juist. Interessanter is de pragmatische stijl van Kok te zien in een lange traditie die het socialisme evenzeer kenmerkte als de ideologische bevlogenheid.” De Rooy geeft als voorbeeld onder andere het wethouderssocialisme, dat een verbetering van het levensniveau van de bevolking voorstond.

En verder: wat vermag de natiestaat nog in een tijd waarin deze, zoals De Rooy al in Met Kok over veranderend Nederland schreef, steeds meer wordt opgenomen in het grotere verband van Europa? Nederland, zo gaf hij aan, “diende rond de eeuwwisseling reeds te voldoen aan ongeveer 75.000 pagina’s Europese wet- en regelgeving”. De toekomst van Nederland zal sterk bepaald worden door Europa, verklaarde Wim Kok zelf in een lang interview met De Rooy en Te Velde, opgenomen in hetzelfde boek. Dat zei hij in 2005 en dertien jaar later is het algemeen besef hierover alleen maar toegenomen.

Paul Scheffer heeft minder coulance met Kok. Op 24 oktober verwees hij in zijn rubriek in NRC naar zijn artikel over Paars-II in 2002 uit dezelfde krant, getiteld ‘De verloren jaren van Kok’. In een tijd dat het Nederland economisch voor de wind ging werd de publieke sector – onderwijs, gezondheidszorg en integratie – verwaarloosd. Scheffer concludeerde: “Het is Wim die Pim heeft gebaard.” Met Pim bedoelde Scheffer Pim Fortuyn, die in 2002 bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer voor een aardverschuiving zorgde.
Voor een aannemelijker verklaring voor de grote aantrekkingskracht van politicus Fortuyn kunnen we beter te rade gaan naar het boek Een onderbroken evenwicht in de Nederlandse politiek – Paars II en de revolte van Fortuyn (2005). Auteurs Jouke de Vries en Sebastiaan van der Lubben noemen als een van de belangrijkste oorzaken de mondialisering van de economie en de daaraan gerelateerde immigratiestromen. Toenmalig staatsecretaris Job Cohen kwam in 2000 met een nieuwe, hardere vreemdelingenwet. Asielprocedures werden verkort en uitgeprocedeerde asielzoekers konden vanaf dat moment sneller worden uitgezet. Toch verloor de PvdA het vertrouwen van haar traditionele aanhang. Ik denk dat de oorzaak hiervan vooral ligt in het gegeven dat deze partij geen duidelijke visie tentoonspreidde op nieuwkomers en integratie. Anders gezegd, de sociaaldemocratische partij had geen heldere ideologie over immigratie in relatie tot de vaste achterban van kiezers.

Dualisme in de politiek

Wim Kok komt er niet zonder kleerscheuren van af. Wij kunnen hem als politicus vooral aanrekenen dat hij, in navolging van voorgangers als Ruud Lubbers, afbreuk deed aan het democratisch debat. Doordat hij besturen verwarde met het bedrijven van politiek, doordat tegenstellingen van standpunten in de Tweede Kamer – van levensbelang voor een levendige democratische cultuur – werden gereduceerd tot gepolder in het Torentje. Kortom, het dualisme in de politiek waarbij de regering regeert en de Kamer controleert verdween uit het zicht. Jan Peter Balkenende heeft die manier van politiek bedrijven met behulp van dichtgetimmerde regeerakkoorden voortgezet, en na hem Mark Rutte. De huidige premier, die leidinggeeft aan zijn derde kabinet, was onlangs boos op coalitiepartner Sybrand Buma van het CDA vanwege diens harde verwijten aan het adres van Bruno Bruins, minister van Medische Zorg. De kritiek van Buma was terecht, omdat VVD’er Bruins weinig krachtdadig optrad bij het omvallen van drie ziekenhuizen. Maar de fractievoorzitter van het CDA mocht dat blijkbaar niet in het openbaar zeggen van de minister-president. Een gotspe.

Buma zou zich moeten spiegelen aan VVD-fractievoorzitter Frits Bolkestein die, terwijl zijn partij deel uitmaakte van Paars-I, de coalitie regelmatig vanuit de Tweede Kamer het vuur aan de schenen legde. Kijk, dat is recht doen aan het broodnodige dualisme van de politiek. De politiek gedijt in een democratisch bestel slechts goed bij het oprecht gevoerde politieke debat en niet bij een-tweetjes tussen kabinet en regeringspartijen in de beide Kamers. Het was overigens juist Bolkestein die zich destijds schuldig maakte aan een beoogd een-tweetje. De fractievoorzitter stuurde een brief aan de minister van Volksgezondheid Els Borst (zijn geruchtmakende ‘Beste Els’-brief) om het belang van een farmaceutisch bedrijf te behartigen, waarvan hij commissaris was.

Politiek functioneert bij de gratie van ideologische verschillen. Bij de PvdA onder leiding van Wim Kok ontbrak dit wezenlijke inzicht. De PvdA heeft weer een heldere linkse ideologie nodig om van betekenis te kunnen zijn bij het beantwoorden van sociaaleconomische vraagstukken. Bij de huidige fractievoorzitter Lodewijk Asscher lijkt dit besef te zijn doorgedrongen, afgaande op zijn felle aanval op het rechtse beleid van Rutte-III. Zijn voorgangers Wouter Bos en Diederik Samson liepen nog te veel in het voetspoor van Kok. Als de PvdA een uitgesproken links geluid laat horen, zit er misschien weer muziek in de partij. De vraag in de titel van de bundel Haalt de PvdA 2025? (2017) kan dan hopelijk bevestigend worden beantwoord.

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

Piet de Rooy en Henk te Velde: Met Kok over veranderend Nederland. Uitgeverij Wereldbibliotheek. Amsterdam 2005, herdruk in 2018.

Haalt de PvdA 2025? Onder redactie van Bram Peper. Uitgeverij Thoth. Bussum 2017.

Job Cohen: Binden. Uitgeverij Bert Bakker. Amsterdam 2010.

Jouke de Vries en Sebastiaan van der Lubben: Een onderbroken evenwicht in de Nederlandse politiek – Paars II en de revolte van Fortuyn. Uitgeverij Van Gennep. Amsterdam 2005.

Leven na Paars? – Linkse visies op de derde weg. Onder redactie van Jet Bussemaker en Rick van der Ploeg. Uitgeverij Prometheus. Amsterdam 2001.

Bart Tromp: Het einde van de politiek? Oratie als bijzonder hoogleraar in de theorie en geschiedenis van de internationale betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam, op 26 maart 1990.

Jelle Jeensma

Schrijver Jelle Jeensma

Als journalist publiceerde ik over uiteenlopende onderwerpen, maar vooral over film, literatuur en onderwijs. Ik redigeerde boeken, tijdschriften, brochures en artikelen. Van diverse filmbladen en universiteitsbladen was ik hoofd- of eindredacteur. Bij een dagblad was ik chef kunst. Als freelancer werkte ik voor verschillende journalistenbureaus. Als ghostwriter kroop ik in de huid van anderen en schreef ik zowel persoonlijke als zakelijke stukken.

Bekijk de essays van Jelle Jeensma

Reageer ook 2 reacties

  • Bob Lagaaij schreef:

    Een mooi, afgewogen portret van wijlen Wim Kok. Uiteindelijk houden we in Nederland van nuchtere proces-begeleiders zonder veel poespas. Kok was de ingehouden, zeg maar: chagrijnige, versie (fenomenaal geholpen door de hoogconjunctuur, laten we dat niet vergeten), Rutte is de gezellige, knuffelbare variant. Overigens: Sybrand Buma’s opmerking over de faillissementen van twee ziekenhuizen is wel degelijk een gotspe. Het was het/zijn kabinet Balkenende – met overtuigde steun van de voltallige CDA-fractie – dat de privatisering van de gezondheids- en ziekenhuiszorg invoerde. Niet mijn idee, maar dat van Buma. Tsja… dan kan er zo’n instelling stranden. En moet je dus niet als eerste bij de minister zijn, hoe sociaal onhandig hij ook mag hebben gereageerd, al staat hij inmiddels alweer met de subsidiepot klaar voor de IJsselmeerziekenhuizen. Geschiedenis: laten we niet vergeten hoe in Zeeland, toen het open houden van ziekenhuizen nog de bevoegdheid van de provinciale overheid was, binnen nog geen twee jaar minstens 5 instellingen koelbloedig werden gesloten dankzij g.s. en provinciale staten en een provinciehoofdstad als Middelburg dus al jaren geen ziekenhuis heeft; Vlissingen slechts een polikliniek en heel Midden-Zeeland, van Tholen, Renesse tot Meliskerke,als de wiedeweerga bij het centrale Admiraal de Ruyterziekenhuis in Goes moet zien te komen. Soms denk ik: hoe dichter bij Amsterdam en de Randstad, hoe harder het geween; ook in de publiciteit.

    • Jelle Jeensma schreef:

      Ja, Buma heeft in zijn kritiek op minister van Medische Zorg Bruno Bruins iets van een farizeeër. Maar hetzelfde zou je eigenlijk ook kunnen zeggen van Asscher, die het vorige kabinet volop steunde.
      En ik vermoed dat de Randstad en Amsterdam in het bijzonder zich inderdaad als het middelpunt van het land beschouwen. Zeeland? Groningen? Het zijn buitengewesten die niet op het netvlies van de Haagse politici staan.

Uw reactie

%d bloggers liken dit: