Kennis van kunst

kennis van kunst

Als kunstenaar promoveren op je eigen kunst, dat kan zowel in Leiden als Amsterdam. NRC Handelsblad berichtte erover en zwengelde een discussie aan. Het komt neer op oude wijn in nieuwe zakken, maar er valt zeker wat behartenswaardigs over te zeggen.

Je ziet het elk jaar in de zomerperiode terugkeren: de komkommertijd is aangebroken en kranten initiëren daarom ‘relevante discussies’. De polemiek over het Engels als spreek- en schrijftaal aan de universiteit is daar het meest recente voorbeeld van. Hartstikke interessant, maar dat debat is in het verleden al vaker gevoerd. Het was Jo Ritzen, minister van Onderwijs, die eind jaren tachtig opriep om het Engels in te voeren aan universiteiten en hogescholen. Daarna is dit thema regelmatig uitgemolken in de media. Je vraagt je af: wat beklijft er aan argumenten voor en tegen? Is er sprake van voortschrijdend inzicht?

Opwarmertje

Nog zo’n opwarmertje zie je bij de discussie die door NRC Handelsblad is ingezet, met een artikel van redacteur Maarten Huygen op donderdag 22 juni over kunstenaarsdoctoraten, voorafgegaan door een nieuwsbericht hierover op pagina 2. De dag erna wijdde de krant zelfs een heus commentaar aan het onderwerp. Daarna sijpelden enige ingezonden brieven binnen. Kopij voor kolommen in de kwakkelende zomertijd!

Op 23 mei organiseerde de KNAW, Koninklijke Akademie van Wetenschappen, een bijeenkomst in het kader van de lezingenreeks ‘KunstKennis’. Motto van deze reeks: ‘Er is de laatste jaren een duidelijke tendens waar te nemen waarbij kunst en wetenschap elkaar steeds dichter naderen.’ Dat vestigde de aandacht op de bijzondere promotieprojecten in Leiden en Amsterdam.

Universiteit Leiden richtte al in 2004, in samenwerking met de Haagse Hogeschool der Kunsten, een promotietraject op voor kunstenaars: aan de ‘Academy of Creative and Performing Arts’ (hier heeft het Engels dus al duidelijk toegeslagen). Er is een strenge toelatingsprocedure, maar promovendi hoeven niet te beschikken over een master; iets dat in de gewone wetenschappelijke wereld voorwaarde is om te kunnen promoveren. Het verweer: er wordt door de kunstenaarspromovendi ‘onderzoek’ verricht, geen wetenschap. Het gaat om het reflecteren ‘through the arts’, om persoonlijke beschouwingen tijdens het maken van kunst.

Behalve een ‘proefschrift’ dient er een kunstwerk opgeleverd te worden of een uitvoering te worden gegeven. Sinds de start zijn er zo’n honderd kunstenaars toegelaten, van wie er 42 inmiddels zijn gepromoveerd. Die kregen de officiële PhD-titel, internationaal gezien de hoogste academische titel.

Meditaties

Een bijzondere vorm van ‘reflectie’ is het ‘proefschrift’ van de Vlaamse cellist Arne Deforce, getiteld ‘Denken als experiment’. Deforce schreef ‘472 Meditaties’ voor ‘de noodzaak van creatief denken en experimenteren in het uitvoeren van complexe muziek van 1962 tot heden’. In de inleiding schrijft de promovendus dat de meditaties niet bedoeld zijn als analyses of inzichtelijke beschouwingen die ‘over iets gaan, die een zekere kennis onthullen’. Van belang is daarentegen om tot een ‘diep inzichtelijke beleving van de muziek te komen’. Daartoe dienen de meditaties ‘niet in een ruk’ te worden gelezen.

Afgelopen voorjaar volgden de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit, in samenwerking met kunstacademies, met een eigen promotievariant voor kunstenaars: het ‘Amsterdam Research Institute for Art and Science’ (we zien dat ook hier het Engels heeft toegeslagen). Maar aan dit instituut is het niet nodig om een tekst te schrijven naar aanleiding van reflectie op eigen kunst. Geen officieel proefschrift dus. Er wordt ook geen PhD-titel verstrekt. Daarvoor is iets anders bedacht: de titulatuur CrD, Creator Doctus. Leuk bedacht, maar van generlei waarde in de internationale wetenschappelijke wereld.

Er is opdat

Bovenstaande initiatieven komen niet uit de lucht vallen. Al in 1978 promoveerde Eldert Willems aan de Universiteit van Amsterdam op zijn eigen gedichten. Dat leidde aan de hoofdstedelijke universiteit tot veel opschudding; er was het nodige protest, maandenlang.

Beroemd en berucht werd de volgende sleutelzin in zijn ‘dissertatie’: ‘Er is opdat, maar zo wordt dus.’ Willems werkte aan diezelfde universiteit als docent kunstfilosofie. Ik volgde in de jaren tachtig bij hem het bijvak esthetica.

‘Kunst en wetenschap laten zich moeilijk versmelten’, luidde de kop boven het commentaar in NRC Handelsblad op vrijdag 23 juni. Op zaterdag 24 juni sloeg muziekwetenschapper Henk Smeijsters, een voorstander van de kunstenaarsdoctoraten, terug met een ingezonden brief: ‘Of kunstonderzoek “niet-academisch” is hangt af van wat wij onder academisch verstaan.’ En verder: ‘Research through the arts onderscheidt zich van het creëren, analyseren, instuderen of uitvoeren van een kunstwerk door het toepassen van een systematische geesteswetenschappelijke onderzoeksmethode op het scheppingsproces of voltooide kunstwerk.’

Op dinsdag 4 juli ten slotte deed Henk Borgdorff, wetenschappelijk directeur van de Leidse ‘Academy of Creative and Performing Arts’ met een ingezonden brief een duit in het zakje: ‘ik betoog juist dat artistiek onderzoek bij uitstek academisch kan zijn.’ Verder stemde Borgdorff in met Smeijsters ‘dat er niet één wetenschapsopvatting bestaat waaraan al het academisch onderzoek zou moeten voldoen’.

Conceptuele fase

Laten we eens reflecteren op deze polemiek, misschien niet wetenschappelijk maar in ieder geval met scepsis. Om met Smeijsters en Borgdorff te beginnen: er is inderdaad niet sprake van één vorm van wetenschapsbeoefening. Binnen de natuurwetenschappen is de natuur (op micro- en macroniveau) object van onderzoek, binnen de geesteswetenschappen is dat de mens (met diens gedragingen en voortbrengsels). Maar hoe dan ook, beide richtingen in de wetenschap zijn onderhevig aan strikte regels en methoden, controlemogelijkheden en eisen van transparantie. Bij de kunstenaarsdoctoraten zie ik zo één twee drie nog niet, wat Henk Smeijsters beweert, dat ‘een systematische geesteswetenschappelijke onderzoeksmethode’ van toepassing is.

Opvallend is dat niemand in de publieke discussie opmerkt dat het proces vóór de daadwerkelijke creatie van wezenlijk belang is. Voordat een kunstenaar aan de slag gaat, of het nu een musicus of een beeldend kunstenaar is, gaat er heel wat in haar of zijn hoofd om. Gedachtenflarden, associaties, beelden, visies op materie en maatschappij. En dan staat iedere kunstenaar ook in een lange traditie, waaraan die zich niet kan onttrekken. Je borduurt voort op voorgangers of je ageert tegen ze, maar meestal blijft een kunstenaar werken binnen het genre van haar of zijn kunstdiscipline. Díe fase, de conceptuele fase voordat er nog maar één muzieknoot op papier staat of één streep op het schilderdoek, lijkt mij de belangrijkste. Maar aan die fase lijkt geen gewicht te worden toegekend bij de kunstenaarspromotietrajecten. ‘Research through the arts’, reflecteren tijdens het kunst maken, lijkt mij moeilijk. De kunstenaar verkeert dan in een intuïtief proces. Die zit, als het goed is, in een flow tijdens het maakproces.

Autonoom

Achteraf, als het kunstwerk voltooid is, is zo’n ‘research’ wel goed mogelijk, ook ‘systematisch’. Het kunstwerk kan dan worden geobjectiveerd, los gezien van diens maker, de kunstenaar. Je zou kunnen zeggen dat op dat moment de navelstreng tussen kunstenaar en kunstwerk is doorgeknipt. Het kunstwerk, althans een geslaagd kunstwerk, staat op eigen benen, het is autonoom – en kan als zodanig worden bezien en bekritiseerd. Analysen, ook wetenschappelijke, kunnen erop worden losgelaten. Hoe zit het met de ‘immanentie’ van een kunstwerk? De zeggingskracht? De schoonheid? De plaats in de kunsttraditie? Mensen zijn talige wezens die zich oordelen kunnen aanmeten in wetenschappelijke verhandelingen en in kunstkritieken. Dat geldt ook voor niet-talige kunst als muziek en schilderkunst.

Ik denk niet dat de kunstenaar de uitgelezen persoon is om die vragen achteraf te beantwoorden. Die kan een visie op het kunstwerk te berde brengen, eentje die verhelderend is, maar is een kunstenaar in staat om in voldoende mate zijn kunstwerk te objectiveren? Het blijft per slot van rekening zijn ‘kindje’, weliswaar staat die nu op eigen benen, maar de liefdevolle blik van de kunstenaar gericht op zijn voltooide kunstwerk blijft subjectivistisch. Anderen, deskundigen – geesteswetenschappers en kunstcritici – kunnen veel objectiever en fris van de lever, zonder vooringenomenheid, naar zo’n autonoom kunstproduct kijken – en het op z’n merites beoordelen.

Exploratief

Promoveren op je eigen kunst, ik zet er mijn vraagtekens bij. En het onderzoeksobject in deze promotietrajecten is feitelijk niet het kunstproduct. Dat is het creatieve proces an sich. In hoeverre valt dat te objectiveren? En dan ook nog eens aan de hand van één persoon, die dat creatieve proces in zichzelf bestudeert. Het lijkt niet te beantwoorden aan minimale eisen van wetenschapsbeoefening.

Natuurlijk kan de wetenschap iets opsteken van de kunsten. De ‘embryonale’ fase van kunst, de conceptuele fase, is exploratief; het kan nog alle kanten op, niet beknot door allerlei opvattingen. Het valt toe te juichen als zo’n exploratieve fase ook binnen de wetenschap als belangrijk wordt erkend. Niet voor niets komen baanbrekende wetenschappelijke inzichten tot stand als van de gebruikelijke routes is afgeweken (inzichten geopenbaard in dromen of toevallig ontstaan door associaties).

Schaamlap

De kunstenaarsdoctoraten lijken vooral bedoeld om op de internationale arbeidsmarkt beslagen ten ijs te komen, dat wil zeggen als docent. In het buitenland is meestal een doctorsgraad (PhD) vereist om als docent in de kunsten aan de slag te kunnen. In Nederland hebben wij de Hogescholen voor de Kunsten, en die tellen voorbij onze landsgrenzen nu eenmaal minder mee.  Daarom is de titel Creator Doctus slechts een schaamlap; gewoon flauwekul, internationaal niet erkend. En de doctorstitel is niet de vlag die de lading dekt van grondig geesteswetenschappelijk onderzoek.

Hoe gaat het nu verder? In tegenstelling tot het tumult rondom de ‘dissertatie’ van Eldert Willems in 1978 valt er over de promotietrajecten voor kunstenaars in Leiden en Amsterdam nu nog bar weinig te vernemen. De discussie hierover is in NRC Handelsblad alweer gesloten. Andere media zijn er niet op ingesprongen. In Leiden en Amsterdam gaat men vrolijk voort. Waarschijnlijk laait de polemiek over de kunstenaarsdoctoraten over tien jaar weer op. Maar tegen die tijd wordt die twist uitsluitend in het Engels gevoerd.

kennis van kunst 02

Jelle Jeensma

Schrijver Jelle Jeensma

Als journalist publiceerde ik over uiteenlopende onderwerpen, maar vooral over film, literatuur en onderwijs. Ik redigeerde boeken, tijdschriften, brochures en artikelen. Van diverse filmbladen en universiteitsbladen was ik hoofd- of eindredacteur. Bij een dagblad was ik chef kunst. Als freelancer werkte ik voor verschillende journalistenbureaus. Als ghostwriter kroop ik in de huid van anderen en schreef ik zowel persoonlijke als zakelijke stukken.

Bekijk de essays van Jelle Jeensma

Uw reactie

%d bloggers liken dit: