Vriendschap tussen Rudy Kousbroek en Gerard Reve was bijzonder

Door 1 december 2017film en literatuur

9200000079416355

Van Rudy Kousbroek verscheen onlangs een boekpublicatie van de brieven die hij tussen 1979 en 1989 schreef aan Gerard Reve, getiteld ‘Seks, natuurlijk, maar vooral orde’. Waarom voelden die twee zich tot elkaar aangetrokken? En hoe kwam de vriendschap tot een einde?

Rudy Kousbroek (1929 – 2010) is een van onze beste essayisten van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij schreef jarenlang in NRC Handelsblad. Daarnaast publiceerde hij essayistisch werk in boekvorm. Kousbroek werd bekroond met de Jan Hanlo Essayprijs en de P.C. Hooftprijs. Erkenning kreeg hij tijdens zijn leven dus meer dan genoeg.

Over de meest uiteenlopende onderwerpen schreef Kousbroek. Zoals Tijs Goldschmidt in het voorwoord van ‘Seks, natuurlijk, maar vooral orde’ zegt: over literatuur, politiek, beeldende kunst en over de relaties tussen mens en dier. En dit is nog maar een willekeurige greep, want je kunt ook techniek of taal noemen.

Ik ontmoette Kousbroek in september 1988 toen hij een lezing hield over de film ‘Dimanche de la vie’ (1965) van regisseur Jean Herman. Het betrof hier een verfilming van het gelijknamige boek van Raymond Queneau uit 1951. In zijn voordracht memoreerde Kousbroek dat dit boek volgens Jacques Prévert Queneau’s meesterwerk was. De keuze voor zo’n film en het aanhalen van het oordeel van Prévert tekent de erudiete Kousbroek ten voeten uit.

Reviana

Tussen 1955 en 1971 correspondeerde Rudy Kousbroek met Willem Frederik Hermans en die briefwisseling werd in 2009 gepubliceerd als ‘Machines en emoties’. Ook de toenmalige echtgenote van Kousbroek, Ethel Portnoy nam deel aan de correspondentie. Hermans-biograaf Willem Otterspeer, die deze uitgave bezorgde, betoonde zich lyrisch over de briefwisseling. In een persoonlijke ontboezeming voorafgaand aan de gebundelde brieven verklaarde hij: ‘Voor mij persoonlijk bevat de […] briefwisseling met Kousbroek geen goud maar diamant. Hier waren onze meest oorspronkelijke schrijver en de beste essayist met elkaar in intense gedachtewisseling. Er is vrijwel geen onderwerp dat niet aan de orde komt, techniek en filosofie, politiek en literatuur, cultuur van alfa en bèta tot omega, en met een vrolijkheid en nieuwsgierigheid die in Nederland zijn weerga niet kent.’ Zo’n vrolijke Frans was Kousbroek niet. Nieuwsgierig wel.

Dat valt eveneens op in zijn nu gepubliceerde briefwisseling met Gerard Reve (1923 – 2006), die de periode 1979 tot 1989 beslaat. Kousbroek en Reve hadden eerder, in de jaren vijftig, een korte correspondentie gevoerd en in 1979 zocht Gerard Reve wederom contact met zijn vroegere vriend. Beiden woonden op dat moment in Frankrijk. In een periode van tien jaar schreef Kousbroek 24 brieven aan Reve en drie aan diens partner Joop Schafthuizen. Reve verzond maar liefst 173 brieven aan Kousbroek, waarvan 81 ook bestemd waren voor Kousbroeks tweede partner, Sarah Hart. Zij is het die, samen met oud-kunstredacteur Lien Heyting van NRC Handelsblad, deze brieven van Kousbroek aan Reve bezorgde.

Het is ontzettend jammer dat alleen de brieven van Kousbroek zijn gebundeld. ‘Reves brieven zijn nu niet beschikbaar voor publicatie’, zo staat in de verantwoording van dit boek te lezen. Het laat zich raden waarom dat niet gebeurde. Bekend is dat Schafthuizen optimaal gewin probeert te halen uit de verkoop van Reviana. Zo bracht hij midden jaren tachtig, als facsimile-uitgave, een aantal brieven van Reve aan Rudy Kousbroek op de markt. Nop Maas maakt daarvan melding in het derde deel, ‘Kroniek van een schuldig leven’, van zijn biografie over Gerard Reve. Hoeveel die uitgave moest kosten, weten we niet omdat Schafthuizen – door Reve liefkozend ‘Matroos’ of ‘Matroos Vos’ genoemd – bezwaar aantekende tegen vermelding van geldbedragen in de biografie. Maas moest Schafthuizen hierin wel tegemoetkomen, omdat hij anders niet uit het persoonlijk archief van Reve mocht citeren.

Daarvoor al, begin jaren tachtig, hadden Reve en Schafthuizen uitgeverij Van Oorschot proberen te verleiden om een handjevol brieven van Reve aan Kousbroek, gesigneerd en genummerd, in de verkoop te doen. Van Oorschot schoot dit voorstel echter af, vermeldt Maas in zijn biografie.

Zwaarmoedig

De bezorgers proberen het ontbreken van de brieven van Reve in zijn correspondentie met Kousbroek te ondervangen door toelichting te geven in de vorm van voetnoten. Maar dat gebeurt summier. Daarom is het goed om diezelfde biografie van Nop Maas erbij te halen. Daarin wordt veelvuldig geciteerd uit brieven van Reve gericht aan Kousbroek. Toegevoegde waarde hebben verder de brieven die Reve aan anderen schrijft en waarin hij over Rudy Kousbroek uit de school klapt. Enkele sprekende citaten uit een paar van die brieven van Reve geef ik in het vervolg.

De titel van Kousbroeks gebundelde brieven, ‘Seks, natuurlijk, maar vooral orde’, is ontleend aan een fragment uit een brief van Kousbroek aan Joop Schafthuizen van 15 augustus 1982: ‘Als ik mag kiezen uit je lijstje: seks, natuurlijk, maar vooral orde. Ik ben heel nieuwsgierig wat je daarover te zeggen zou hebben, vooral omdat je inderdaad iemand bent die orde om zich heen schept. Ik niet, helaas.’

Kousbroek komt in de briefwisseling met Reve zwaarmoedig over. Meer dan eens is hij somber gestemd, ja de wanhoop nabij, en hij leeft voortdurend in angst. In zijn laatste brief aan Reve en Schafthuizen (aanhef: ‘Lieve Gerard en Joop’) beschrijft hij deze permanente staat als volgt: ‘[…] het betreft een neerslachtigheid die ik van nature heb en die mij overal vergezelt, zoals een lucht waar je niet af kan komen […].’ Die neerslachtigheid zit hem in de weg, blokkeert hem bij het schrijven.

Hij is een trage brievenschrijver, terwijl Gerard Reve het brieven schrijven, en zeker niet alleen aan Kousbroek, als een warming-up zag voor het serieuzere werk: het schrijven aan romans. Verwijzend naar een vorige brief van hem zegt Kousbroek in een brief aan Reve op 7 augustus 1982: ‘Benepen onmacht gepaard aan humorloze zwaarwichtigheid is wat er uit spreekt.’ Schrijven is voor hem een moeizaam proces, en dat geldt ook voor de artikelen die hij voor NRC Handelsblad produceert. In de brief die Kousbroek eerder aan Reve schreef, die van 4 augustus 1982, laat hij weten dat dit de zevende versie is.

Troost in donkere dagen

Op zowel Gerard als Joop was Kousbroek zeer gesteld. Kousbroek en Reve schreven elkaar niet alleen, ze belden ook een paar keer per week met elkaar. En ze legden af en toe wederzijdse bezoekjes af. Openhartig laat Kousbroek in een brief van 26 augustus 1982 weten: ‘[…] gisteren bijvoorbeeld zei je over de telefoon een paar dingen die niemand mij ooit heeft gezegd en die getuigen van een werkelijke begaanheid zodat mij de tranen in de ogen sprongen […].’ En eerder dat jaar, in een brief op 13 februari 1982 aan Reve: ‘Ik ben erg op je gesteld, lees je gefascineerd, ben je dankbaar voor je troost in donkere dagen en alleen al daarom bereid van alles te verduren. Maar ik verdraag het desondanks toch niet als ik het gevoel krijg dat je, hoe zal ik het noemen, dat je je best niet doet. Er is een grens die je niet moet overschrijden, want eigen preoccupaties en gemoedsaandoeningen heb ik natuurlijk toch wel.’ Reve heeft deze brief niet geopend. Hij retourneerde hem op een later tijdstip aan Kousbroek, naar aan te nemen valt op diens verzoek.

Valt te verklaren waarom Kousbroek zo gesteld was op Reve? Wat had hij desondanks van hem te verduren? In de eerste plaats bewonderde Kousbroek Reve als de romanschrijver die hijzelf niet was. Weliswaar publiceerde hij één roman, ‘Vincent en het geheim van zijn vaderslichaam’, maar dat was niet meer dan een ingenieus in elkaar gezette tekst bij een aantal gravures. Hij was aan tien tot dertien romans begonnen, maar die belandden allemaal in de prullenbak.

In de biografie van Nop Maas verschijnt Reve ten tonele als iemand met spoken in zijn hoofd, die een gekweld gemoed heeft, net als Kousbroek lijdend onder depressies, en die met Joop Schafthuizen in een vechtrelatie verkeerde. Desondanks was hij onder deze omstandigheden, althans in de ogen van Kousbroek, een hartelijk mens. Hartelijk vond Kousbroek ook Schafthuizen, die hem af en toe mooie cadeaus schonk. Reve wist Kousbroek gerust te stellen toen die zich op een avond wilde verhangen.

Pestkop

Maar Reve had ook een andere kant. In de briefwisseling met Kousbroek jent hij continu. Hij was, virtuoos met het stijlmiddel van de ironie, een ware pestkop. In een brief aan Kousbroek op 7 augustus 1982 (ik citeer uit de biografie van Nop Maas) schrijft Reve: ‘Ik schreef je ook wel eens met de zondige opzet, je te sarren, hoewel nooit met de bedoeling, je echt te kwetsen. Meer in de trant van: “Hij kàn een heleboel, als je hem maar goed port en op stang jaagt […].”’ En een paar jaar daarvoor, in een brief aan Schafthuizen op 5 april 1979, over Kousbroek: ‘Hoe kan iemand zijn tijd, zijn energie, zijn levensgeluk en zijn talent besteden, neen, vergooien aan al die schijnproblemen? Ik begrijp nauwelijks waar het over gaat […].’

Tot luisteren was Gerard Reve niet in staat, iets wat Kousbroek hem verweet in de correspondentie. Reve reageerde niet op de inhoud van Kousbroeks brieven, hij stak eerder monologen af. Waarom was Reve, op zijn beurt, eigenlijk op Kousbroek gesteld? Omdat die hem als weinigen in zijn omgeving intellectueel wist uit te dagen. Toch was het aantal onderwerpen waarover beiden van gedachten wisselden lang niet zo groot als in de briefwisseling die Kousbroek met Hermans voerde. Daar lagen twee redenen aan ten grondslag: allereerst keek Reve met een ‘katholieke’, vernauwde bril naar de werkelijkheid en ten tweede had hij in tegenstelling tot Kousbroek niet zo’n hoge pet op van de wetenschap.

Ronduit aardig was Reve toen hij Kousbroek 10 duizend gulden leende voor de aanschaf van een appartement in Parijs. Dat brengt mij die keer in herinnering dat Kousbroek in september 1988 een lezing hield over de hiervoor genoemde film ‘Dimanche de la vie’. Ik had die voordracht vanuit het Amsterdamse filmtheater Rialto georganiseerd en er vooraf over gecorrespondeerd met Kousbroek. Ik had hem gemeld dat hij er 500 gulden voor zou ontvangen. Bij binnenkomst in het filmhuis, hij verscheen met jeugdvriend Remco Campert, bleken we van mening te verschillen over de hoogte van de gage. Volgens Kousbroek zou hij 1500 gulden verdienen voor het uitspreken van zijn lezing; een stuk dat hij al eerder voor een ander doel had gebruikt. Mijn brief aan hem, het bewijs dus, had hij bij zich. Hij rommelde verwoed in een plastic tas vol papier. Tot mijn grote opluchting bleek ik te hebben geschreven dat hij fl. 500,- zou verdienen, waarbij fl. de ouderwetse aanduiding was voor gulden: florijn. Het was een grote teleurstelling voor hem.

Openbare brief

Reve voert in zijn latere roman ‘Het boek Van Violet en Dood’ (1996) Eddy Kleingeld op, zichtbaar gemodelleerd naar Rudy Kousbroek. Was hij op het idee van die achternaam gekomen, omdat zijn vriend gepreoccupeerd was met geld dat hij altijd tekortkwam? (Reve gaf een andere, weinig plausibele verklaring: iets over een reus met grote schoenen). Het was, zeven jaar na het beëindigen van de briefwisseling, niet minder dan een afrekening. Volgens Nop Maas was het een weinig chique wraakneming op de nederlaag die Reve in 1985 geleden had in een openbare godsdienstdiscussie met Kousbroek.

Gedurende de gehele briefwisseling was religie een belangrijk thema tussen Kousbroek en Reve, die zijn vriend wilde bekeren tot het katholieke geloof. Maar Kousbroek stond daar als atheïst en rationalist volstrekt niet open voor. ‘In klop- en andere geesten geloof ik niet’, stelde hij al kort en bondig in zijn eerste brief aan Reve (die van 12 januari 1979). Hij kon zich niet voorstellen dat Reve een bekeerling was. Die antwoordde met zijn gebruikelijke ironie: ‘Ach, eigenlijk ben ik atheïst. Maar ik doe er weinig aan.’

Van 11 tot en met 14 mei 1985 bezocht paus Johannes Paulus II Nederland en NRC Handelsblad zag daarin aanleiding om vooraanstaande publicisten uit te nodigen voor opiniestukken over godsdiensten, onder de kop ‘Het verschijnsel godsdienst’. Ook Karel van het Reve, de broer van Gerard, leverde daaraan een bijdrage, getiteld ‘De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen’ (Maas wijst er in zijn biografie op dat NRC Handelsblad geestig genoeg het honorarium van Karel van het Reve abusievelijk aan Gerard overmaakte). De kop van de bijdrage van Rudy Kousbroek, gedagtekend 11 mei 1985 en in de NRC gepubliceerd op 24 augustus van dat jaar, luidde ‘Het mannetje in de radio’. Als kind kon je geloven dat er een mannetje in de radio zat en gelovige volwassenen denken dat nog steeds. God als mannetje in de radio.

Deze brief van Kousbroek aan Reve – hij sjoemelt trouwens met de datering, aldus Nop Maas, hoewel de bezorgers van ‘Seks, natuurlijk, maar vooral orde’ daar geen gewag van maken – is verreweg de beste brief van Kousbroek in de correspondentie. Het zal komen doordat het een openbare brief in een krant werd over het onderwerp godsdienst. Kousbroek werpt nu eens alle getob, zelfmedelijden en gejammer van zich af. In zijn brief schetst hij op zakelijke toon hoe zich het leven aan hem voordoet: je wordt als mens geboren in een kerker, afgesneden van de buitenwereld, en je blijft daarin zitten tot aan je dood. ‘De dood komt soms pas na helse en langdurige folteringen en je brengt in elk geval je leven door in een absolute, krankzinnigmakende eenzaamheid.’ Die kerker staat symbool voor het eigen denken, het bewustzijn.

Wat Reve razend maakte, was een bepaalde passage in de openbare brief van Kousbroek: die typeerde de paus als ‘Alleenvertegenwoordiger en Onfeilbare Buikspreker van het Mannetje in de radio’ en hij wees Reve terecht omdat die ‘over die man’ (i.c. de paus) schrijft ‘op de manier waarop bepaalde schrijvers een generatie geleden over Stalin schreven’. Kousbroek doelde op de overeenkomstige wijze van verheerlijken. Achteraf gezien bracht deze brief van Kousbroek de klad in hun relatie.

Sintels in het vuur

Rudy Kousbroek is alweer zeven jaar dood en als je op zoek gaat naar zijn boeken kom je ze nog weinig tegen, behalve in de ramsj en op internet. Mogelijk spreekt zijn essayistiek velen niet meer aan gezien de semiwetenschappelijke betoogtrant van Kousbroek, die onderwerpen altijd grondig aanpakte. Heeft zijn werk daardoor te weinig karakter? Ontbeert het een persoonlijke stijl? Andere schrijvers zijn als zodanig herkenbaar: Zwagerman die enthousiasmerend is, Wolkers die zo plastisch schrijft, Reve met zijn onnavolgbare ironie en Hermans met zijn boosaardige humor.

Teken aan de wand is ook dat er geen Rudy Kousbroek-essayprijs in het leven is geroepen. Terwijl, zo werd vorige week bekendgemaakt, Joost Zwagerman daar wel mee wordt geëerd. Kousbroek blijft voor mij voortleven in zijn boeken waarin hij de relatie tussen mens en dier belicht. De tedere liefde die hij voor dieren koestert, is voor mij als lezer voelbaar. Ook de drie delen in de reeks Fotosynthese, zoals ‘Opgespoorde wonderen’, waarin hij persoonlijk commentaar geeft bij oude door hem opgediepte foto’s, doorstaan de tand des tijds. Evenals dus die openbare brief aan Gerard Reve, getiteld ‘Het mannetje in de radio’. Het zijn de sintels in het vuur, veel van de rest is tot as vergaan.

– – – – – – –

Rudy Kousbroek: ‘Seks, natuurlijk, maar vooral orde. Brieven aan Gerard Reve‘. Bezorgd door Sarah Hart en Lien Heyting. Met een voorwoord van Tijs Goldschmidt. Uitgeverij Atlas Contact. Prijs € 24,99.

Seks, natuurlijk maar vooral orde - Rudy Kousbroek

Jelle Jeensma

Schrijver Jelle Jeensma

Als journalist publiceerde ik over uiteenlopende onderwerpen, maar vooral over film, literatuur en onderwijs. Ik redigeerde boeken, tijdschriften, brochures en artikelen. Van diverse filmbladen en universiteitsbladen was ik hoofd- of eindredacteur. Bij een dagblad was ik chef kunst. Als freelancer werkte ik voor verschillende journalistenbureaus. Als ghostwriter kroop ik in de huid van anderen en schreef ik zowel persoonlijke als zakelijke stukken.

Bekijk de essays van Jelle Jeensma

Reageer ook 6 reacties

Uw reactie

%d bloggers liken dit: