Op zoek naar gedichten waarin de taal wordt scheefgetrokken

Door 8 december 2016film en literatuur

Pfeijffer e.a..jpg

Recentelijk verschenen er twee verzamelbundels van Nederlandstalige poëzie. De ene is ‘Dichters uit de bundel’, samengesteld door Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens. De andere is ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten’, gebloemleesd door Ilja Leonard Pfeijffer. Een vergelijkend warenonderzoek.

Als jongeling verschafte ik mij ‘Dichters van deze tijd’ (1964), in de 21-ste druk, verzorgd door Paul Rodenko. Gegeven het aantal drukken ging daar een canoniserend effect van uit. Vooral van de coryfeeën van de Nederlandstalige poëzie prijkten er een of meer gedichten in, van Albert Verwey tot Willem van Toorn. Zij hadden naam gemaakt.

Een spraakmakende bloemlezing is natuurlijk die van Gerrit Komrij uit 1979, ‘De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten’. Komrij gaf in zijn voorwoord aan dat hij lak had aan reputaties. Het ging hem bij zijn selectie onder meer om het vakmanschap, de satire en de maskerade. Een gedicht moet gewoon goed in elkaar steken; en als zodanig overtuigen. Daarbij: weg met dodelijke ernst. Het ging hem trouwens niet om de dichters, maar om de gedichten. Die vormden het uitgangspunt om deze roemruchte bloemlezing samen te stellen. Het resultaat was een bundel vol levendige en opzienbarende gedichten. Komrij in zijn voorwoord: “En wat heb je ook aan een bloemlezing wanneer je er geen ‘vondsten’ in kan doen, wanneer niet je ogen worden geopend voor gedichten waar je altijd overheen hebt gelezen of gedichten waarvan je het bestaan niet vermoedde?”

In de hoek getrapt

Zo is het maar net: de poëzieliefhebber, die toch al regelmatig poëzie leest of aanhoort, wil verrast worden door gedolven juweeltjes; die wil gedichten lezen die nieuwsgierig maken, en naar meer smaken. Met ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten’ treedt Ilja Leonard Pfeijffer in de voetsporen van Komrij. Pfeijffer verklaart in zijn woord vooraf dat hij Komrij bewondert, “niet in de laatste plaats om zijn compromisloze eigenzinnigheid”. Om te vervolgen: “… juist daarom heb ik het als mijn opdracht gezien om een geheel eigen en hopelijk eigenzinnige bloemlezing samen te stellen die nergens enig ontzag verraadt voor gevestigde reputaties, inclusief die van Komrij.” En dan volgt een vadermoord: Komrijs bloemlezingen heeft hij ”in de hoek getrapt en niet meer ingekeken”.

Hoe ging Ilja Leonard Pfeijffer in zijn selectie te werk? “Ik heb ook vooral avontuurlijke gedichten uitgekozen. Poëzie waarin iets gebeurt en waarin iets op het spel staat, heb ik de voorkeur gegeven boven verstilde observaties die ten onrechte voor poëtisch doorgaan. Gedichten waarin de taal zelf wordt scheefgetrokken en omgewoeld.”  Dat kunnen we ons goed voorstellen, want Pfeijffer is in zijn eigen poëzie en proza ook een taalvirtuoos; altijd trekt hij de registers helemaal open, gaat hij voluit op het orgel. En met bombarie verklaart hij: “Ik heb de poorten opengezet voor de waanzin, maar de grappenmakers de tempel uitgejaagd.”

Wie zou hij met grappenmakers bedoelen? Het aardige van het doorpluizen van een bloemlezing poëzie is daarom: Wie staat erin? En met hoeveel gedichten? (hoe meer gedichten, hoe meer eer een dichter ten deel valt). Maar natuurlijk ook: Wie is gepasseerd? Met een ‘grappenmaker’ bedoelt hij vast iemand als Nico Scheepmaker, behalve ironisch dichter een veelzijdig journalist. We moeten hem missen.

Radicaal

Opmerkelijk genoeg bekent Pfeiffer toch ook wat gedichten te hebben opgenomen die niet beantwoorden aan zijn kwaliteitscriterium. Hij heeft “met pijn in het hart besloten een paar uitzonderingen te maken voor objectief slechte gedichten die zo bekend zijn dat ze tot ons collectieve geheugen zijn gaan behoren”. En dat valt mij van hem tegen: in de geest van Komrij, ingegeven door eigen smaak en voorkeuren, had Pfeijffer er beter aan gedaan radicaal te blijven in zijn afwegingen. Dat had pas een echt eigenzinnige bundel opgeleverd.

Je vraagt je af welke dichters met ‘objectief slechte gedichten’ hij toegang heeft verschaft tot zijn bloemlezing. Het blijft raden, maar ik denk dat Rutger Kopland een goede kans maakt. Onder andere is van hem opgenomen het gedicht ‘Een lege plek om te blijven, XIV’: “Ga nu maar liggen liefste in de tuin,/de lege plekken in het hoge gras, ik heb/altijd gewild dat ik dat was, een lege/plek voor iemand, om te blijven.” Te zeer verstilde poëzie, zal Pfeijffer waarschijnlijk vinden. Maar de poëzie van Kopland zit wel bij menigeen in het hart gegrift.

Al met al valt er niettemin een hoop te beleven in Pfeijffers bloemlezing. Zo was ik blij en verrast dat er van Jan Wolkers drie gedichten zijn opgenomen. Als er iemand een taalgeweldenaar is, dan is dat toch Jan Wolkers vanwege zijn exuberante en barokke taalgebruik.

Wil je weten welke dichter Pfeijffer echt hoog heeft zitten, dan kun je het beste kijken aan wie de meeste gedichten zijn toebedeeld. Of, nog makkelijker, je kijkt naar welke Nederlandstalige dichters de eregalerij van ‘De 100 allermooiste gedichten van de Europese poëzie’ hebben gehaald, een bloemlezing die Ilja Leonard Pfeijffer samen met Gert Jan de Vries in 2010 samenstelde. Taalkunstenaar Lucebert zit er bij, Martinus Nijhoff vanzelfsprekend, maar opvallend genoeg ook Willem Elsschot en Gerard Reve. Die laatste twee ontbreken dan weer in ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten’. Worden er in beide bloemlezingen verschillende criteria voor mooie poëzie gebezigd?

Podium

In ‘Dichters uit de bundel – de moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten’ betogen samenstellers Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens in hun inleiding dat ‘de bundel’ dood is. “De poëzie moet terug naar het publiek. In de praktijk houdt dit in dat de dichter het podium beklimt.” En verderop: “… de dichter heeft geen keus: wil hij nog bestaansrecht hebben, dan móét hij wel buiten de bundel treden. Het podium is zo’n onlosmakelijk onderdeel van de poëzie geworden dat de dichter en de lezer er niet meer buiten kunnen.”

Poëziebundels worden in kleine oplagen gedrukt en verspreid – en dan nog gaat vaak een deel van de oplage naar de ramsj. Poëzie tussen twee kaften, op papier, zou niet meer tot leven komen, haar lezers niet meer vinden. Vandaar de opkomst van de podiumpoëzie: dichters die voordragen uit eigen werk met rappoëzie en slampoëzie.

Het waren de Maximalen die in de jaren tachtig ageerden tegen de ‘hermetische’ poëzie van hun voorgangers. Dit werd smalend afgedaan als moeilijk doenerige poëzie, waarin de lezer zijn tanden moest vastbijten. Arthur Lava sprak destijds uitdagend in het voorwoord van de bloemlezing ‘Maximaal’ (1988): ‘De poëzie heeft al weer te lang in het rusthuis vertoefd.’  De poëzie moest de straat op, het podium beklimmen.

Het is daarom niet vreemd dat in deze bloemlezing de jongste generaties zijn oververtegenwoordigd. Zij zoeken nadrukkelijk het directe contact met hun lezers. In slamwedstrijden worden de beste voordrachtskunstenaars door het publiek uitverkoren. In de jaarlijkse Nacht van de Poëzie valt voorlezende dichters applaus ten deel.

Haken en ogen

Maar levert dit automatisch goede poëzie op? Nee dus. In een voordracht gaat het eerder om de presentatie dan om de esthetische kwaliteit van een gedicht. Als een publiekelijk voorgedragen gedicht aan het papier wordt toevertrouwd, dan blijkt er nog aardig gesleuteld te moeten worden aan de vorm. De samenstellers illustreren dit aan de hand van het gedicht ‘Splinters’ van Laura van der Haar, die in 2012 het NK Poetry Slam won. Zij vormde haar oorspronkelijk prozagedicht om tot een ‘echt’ gedicht, met veel meer ‘wit’, die ‘stilte’ rondom de woorden. De samenstellers: “Met dit voorbeeld willen we vooral laten zien dat die zaken die in het slamcircuit worden vergeven – breedsprakigheid, al te nadrukkelijke anekdotiek, veel herhaling – de redactie voor een bundel niet doorstaan.“ Het gedicht ‘Splinters’ van Laura van der Haar komt op papier uiteindelijk goed uit de verf: “rottende slootkant, stofhooi, seks in de bosjes, festivalkots/ klein straatgedierte sterft in roosters, vogels/ walmen na op het wegdek//de zomer is begonnen” – zo luiden de eerste twee strofen van dit gedicht.

De charme van deze bloemlezing is dus dat samenstellers Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens bij hun selectie de nadruk hebben gelegd op de jongste generaties dichters. Meer dichters uit de jaren negentig en het nieuwe millennium dan uit de jaren daarvoor. Zo gezien is deze bundel vooral een tijdsbeeld. Maar er zitten wel een aantal haken en ogen aan hun manier van selecteren. Zo lijken zij voor wat betreft de Nederlandstalige poëzie uit de eerste helft van de twintigste eeuw vooral ‘klassieke’ gedichten te hebben opgenomen: gedichten die al behoren tot eerdere canons. Aardig gezegd: gedichten die zich al hebben bewezen. Als je wat onaardiger bent, kun je net zo goed beweren dat de samenstellers zich voor die poëzieselectie er zich met een jantje-van-leiden van hebben afgemaakt.

Ze verdedigen zich door te zeggen dat dit een ‘niet-canonvormende overzichtsbloemlezing’ is. Dat is toch een soort koeterwaals. Élke bloemlezing is canonvormend. En wat een ‘overzichtsbloemlezing’ is mag Joost weten. Chrétien Breukers is dichter en schrijver. Eerder publiceerde hij, samen met Philip Hoorne,  ‘De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat’ (2012). Dieuwertje Mertens is poëzierecensent. Samen lieten zij eerder de bloemlezingen ’Gedichten voor mannen’ en ‘Poëzie voor vrouwen’ het licht zien. Hun inleiding, die een overzicht biedt van de Nederlandstalige poëzie van de vorige eeuw tot nu, is soms moeizaam geschreven. Wat een verschil met het woord vooraf van Ilja Leonard Pfeijffer in diens bloemlezing! Elk woord is daar fris en fruitig, en riekt zeker niet naar een semiwetenschappelijk jargon.

Allegaartje

Er valt nog wel meer aan te merken op ‘Dichters uit de bundel’. Niet geheel duidelijk is welk selectiecriterium zij hanteren voor kwalitatief hoogstaande gedichten. Ik laat de samenstellers aan het woord: “In deze bloemlezing zijn ook buitenliteraire actoren bepalend geweest, zoals  het publiek bij een slamwedstrijd, dat heel anders oordeelt dan een jury van een literaire prijs.” Ik begrijp hieruit dat ze niet altijd op hun eigen oordeel zijn afgegaan. Zo krijg je natuurlijk een allegaartje. De toekomst zal uitwijzen wat beklijft: “Het wachten is dus op nieuwe klassieke gedichten.” De tijd zal het kaf van het koren scheiden. Ja, zo kan ik het ook.

Mijn voorkeur gaat uit naar de bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer. Het spectrum van gedichten dat hij heeft gelezen, is ook groter. Behalve de jonge garde behoren de Antilliaanse  en de Surinaamse poëzie tot zijn horizon. Per slot van rekening gaat het ook in deze gevallen om Nederlandstalige poëzie. Merkwaardig genoeg is in ‘Dichters uit de bundel’ geen Antilliaanse of Surinaamse poëzie opgenomen, maar weer wel (in vertaling!) dichters die in het Afrikaans schrijven, zoals Breyten Breytenbach, Ingrid Jonker en Antjie Krog. Het Afrikaans is toch echt een andere taal dan het Nederlands. Elisabeth Eybers, met haar ‘versteend’ Afrikaans, valt overigens tussen wal en  schip: zij is niet opgenomen. Ook niet in de verzamelbundel van Pfeijffer. Hij had voor haar, met al zijn aandacht voor taalvirtuositeit, een uitzondering mogen maken. Eybers had de toets der kritiek glansrijk doorstaan.

Ten slotte nog één opmerking die beide bloemlezingen geldt: de Vlaamse poëzie wordt in de selecties betrokken, maar komt er toch bekaaid van af. Degene die zich wil verdiepen in de Vlaamse poëzie doet er beter aan zich te wenden tot de prachtige bundel ‘Hotel New Flandres – 60 jaar Vlaamse poëzie 1945 – 2005’ (2008). Wie affiniteit heeft met het taalspel van de poëzie, op papier of op de bühne, komt daarin zeker aan zijn trekken.

Ilja Leonard Pfeijffer: ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten’. Uitgeverij Prometheus. Amsterdam 2016. 1435 pagina’s. Gebonden. € 25,00.

‘Dichters uit de bundel – De moderne Nederlandstalige  poëzie in 400 gedichten’. Samenstelling Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens. Uitgeverij Marmer. Baarn 2016. 655 pagina’s. € 29,95.

Publicatiedatum: 8 december 2016

Jelle Jeensma

Schrijver Jelle Jeensma

Als journalist publiceerde ik over uiteenlopende onderwerpen, maar vooral over film, literatuur en onderwijs. Ik redigeerde boeken, tijdschriften, brochures en artikelen. Van diverse filmbladen en universiteitsbladen was ik hoofd- of eindredacteur. Bij een dagblad was ik chef kunst. Als freelancer werkte ik voor verschillende journalistenbureaus. Als ghostwriter kroop ik in de huid van anderen en schreef ik zowel persoonlijke als zakelijke stukken.

Bekijk de essays van Jelle Jeensma

Uw reactie

%d bloggers liken dit: