Blauwdruk van het Derde Rijk

Albert Speer en zijn Führer.

Dat de Tweede Wereldoorlog vijfenzeventig jaar geleden eindigde, wordt breed uitgemeten. Terecht, laten we ons blijven herinneren tot welke gruwelen het nationaalsocialisme heeft geleid. In het rijke aanbod van herinneringsspecials blijft één aspect evenwel onderbelicht: architectuur en stedenplanning als instrument van de nazi-ideologie en de invloedrijke rol die Albert Speer daarin speelde.

Het aantal specials over de Tweede Wereldoorlog, in het bijzonder de bevrijding van ons land op 5 mei 1945, is groot. Een paar voorbeelden uit het tijdschriftenassortiment: Plus Magazine wijdt er een volledige uitgave aan, evenals Libelle en het Historisch Nieuwsblad.

De tentoonstelling Design van het Derde Rijk in het Design Museum in Den Bosch ging aan de stortvloed van deze geboekstaafde oorlogsherinneringen vooraf. Een maand na de opening, begin september vorig jaar, waren er meer dan 45 duizend entreebewijzen verkocht. De interesse was zo overweldigend dat de openingstijden van deze bijzondere expositie werden verruimd en de einddatum werd verlengd tot 1 maart van dit jaar. In totaal bezochten 125 duizend bezoekers Design van het Derde Rijk, een drievoud van de gemiddelde tentoonstelling in het Design Museum. Niet eerder werden nazi-parafernalia dan ook in een overzichtstentoonstelling bijeengebracht. Een willekeurige greep: meubilair van Adolf Hitler, vlaggen met hakenkruizen, logo’s en postzegels. Aan alles zat het beeldmerk van de nazi’s.

Beladen onderwerp

In het Design Museum werd getoond dat de meest uiteenlopende voorwerpen voor hetzelfde propagandadoel werden gebruikt: uitdrukking geven aan de geest van het Arische ras. Wel jammer vond ik als bezoeker dat er geen catalogus voorhanden was waarin de tentoongestelde objecten in een kader werden geplaatst. Een omissie, volgens mij. Toen ik een paar dingen wilde fotograferen, werd mij door een suppoost gemaand dat te laten. En zij voegde eraan toe dat alle informatie op de site van het museum te vinden was. Toen ik die site later bekeek, was de conclusie dat deze in de verste verte niet een catalogus kon vervangen.

Het absolute kwaad dat het nazisme aankleeft is in 1945 vernietigd, maar anno 2020 mogen we niet onbekommerd naar zijn relikwieën kijken. Het nationaalsocialisme is een beladen onderwerp, omgeven door taboes. Alsof we er alsnog door betoverd kunnen raken, in een ogenblik van onoplettendheid in de ban ervan kunnen raken – net zoals praktisch het hele Duitse volk in de jaren dertig en veertig. Stel dat er om die reden geen catalogus mocht komen, dan is dat misplaatst paternalisme.

In Duitsland, waar verreweg de meeste nazistische voorwerpen vandaan kwamen, is tot op heden zo’n tentoonstelling niet gemaakt. Elders in de wereld trouwens ook niet. Alles verdwijnt nu weer in de Duitse depots. Daarom is het moedig dat het Design Museum het aandurfde. En het is er gezien de grote toeloop voor beloond. Van een taboe gaat aantrekkingskracht uit, de doorsnee museumbezoeker wordt heen en weer geslingerd tussen fascinatie en aversie.

Eén aspect bleef in deze tentoonstelling enigszins onderbelicht. En dat geldt helemaal voor al die specials over de Tweede Wereldoorlog die aan de vooravond van 4 en 5 mei verschenen. Dat de nazi’s, Hitler voorop, architectuur en stedenbouw ruimschoots voor propagandadoeleinden gebruikten. Gepoogd werd om in steden als Berlijn en München met een breed opgezet stratenpatroon vol monumentale gebouwen het Derde Rijk vorm te geven. Berlijn zou als vernieuwende hoofdstad elke andere metropool naar de kroon steken.

Blessing in disguise

In De ziel van Duitse steden – Het drama van verwoesting en wederopbouw (2018) beschrijft stedenbouwkundige Noud de Vreeze de ruimtelijke ontwikkeling van Duitse steden voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het is een goed gedocumenteerd en met veel foto’s verlevendigd boek. Daarom is het onterecht dat het bij verschijnen door de pers geen aandacht heeft gekregen.

De Vreeze wijst erop dat de nazi’s steden, in het bijzonder straten en pleinen, zo wilden inrichten dat ze bij de bevolking nationalistische emoties opriepen. Op een theatrale manier moest de publieke ruimte appelleren aan de sterke staat van het nationaalsocialisme. In het dichtbebouwde Berlijn was dat niet mogelijk. 

Stedenbouwkundige problemen deden zich in Duitsland door de bevolkingstoename reeds in de negentiende eeuw voor. Het stadscentrum van veel Duitse steden was van middeleeuwse oorsprong, gekenmerkt door smalle bochtige straten, slingerende stegen en opeengepakte huizen. Hoe konden de nazi’s in dit soort steden hun stedenbouwkundige en architectonische dromen verwezenlijken?

Er deed zich, cynisch genoeg, een blessing in disguise voor toen Duitse steden tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar te lijden kregen onder Britse bombardementen. Achteraf weten we dat van alle Duitse steden met minstens 100 duizend inwoners meer dan vijftig procent van het bebouwde oppervlak werd verwoest. De Vreeze haalt Hitlers reactie in 1943 aan op deze verwoesting. Dat deed hij in een gesprek met Joseph Goebbels, zijn minister van Propaganda: “Door de Britse bombardementen zullen we in de Duitse steden eindelijk de ruimte krijgen.” De Vreeze wijst erop dat Hitler in Mein Kampf architectuur en stedenbouw als middel zag om de macht van de staat en de superioriteit van de Duitse cultuur zichtbaar te maken. De latere dictator stelt in zijn boek dat “ons Derde Rijk over bewijzen van kunst en cultuur zal moeten beschikken die de eeuwen kunnen trotseren. Als we naar antieke steden kijken en naar de middeleeuwse steden met hun reusachtige kathedralen dan weten we dat de mensen zulke middelpunten nodig hebben om niet ten onder te gaan”. Een van Hitlers favoriete architecten, Hermann Giesler zei in 1937 iets soortgelijks: “In de bouwwerken van het Derde Rijk zal het nationaalsocialisme tot de Duitse ziel spreken en in de toekomst getuigen van de doorbraak van een groots heroïsche bewustzijn, waarmee onze tijd is bezield.”

Hitler in Parijs, juni 1940.

Amateur-architect

Hitler was geobsedeerd door grootschaligheid en grandeur. Parijs was voor hem een lichtend voorbeeld. De Franse hoofdstad bezocht hij in juni 1940 nadat het noordelijk deel van Frankrijk was veroverd. Hij deed dat in gezelschap van de architecten Hermann Giesler en Albert Speer, en zijn geliefde beeldhouwer Arno Breker. Hitler bewonderde het stratenplan zoals dat door Georges-Eugène Haussmann in de negentiende eeuw was aangelegd, met zijn boulevards en pleinen. Hij dweepte met de Opéra, het Louvre en de Arc de Triomphe. Dat soort monumentale gebouwen, deel uitmakend van een streng geordende openbare ruimte, wilde hij eveneens in Duitsland van de grond zien komen, alleen groter en indrukwekkender. Bij voorkeur in de stijl van het neoclassicisme, een kunstvorm in de architectuur die met name in de negentiende eeuw in zwang was; in Europa, maar ook in de Verenigde Staten. Het neoclassicisme verwees naar de bouwkunst van de klassieke oudheid en naar de architectuur van de Italiaanse Renaissance van Palladio, en gaf zodoende prestige.

Toch kunnen we de architectonische nazi-stijl niet gelijkstellen aan het neoclassicisme. Ook andere stijlen werden geëxploiteerd, zelfs het door de nazi’s verfoeide modernisme. Opportunisme bepaalde de architectuur in het Derde Rijk en daarom was geen sprake van een uniforme stijl.

Vooral in München zijn architectonische vergezichten van amateur-architect Hitler doorgevoerd. Aan het Königsplatz verrezen kolossale NSDAP-kantoren binnen een breed opgezet stratenpatroon dat gekenmerkt werd door een strakke symmetrie. In de gebouwvormen zien we diezelfde doorgevoerde symmetrie. Architect van dit project was de bij Hitler populaire Paul Ludwig Troost met diens sobere neoclassicistische signatuur. De Vreeze: “Met de ontwerpprincipes van Troost ontstond in een vroeg stadium van het nazi-regime een herkenbare vormentaal en ook een programmatisch voorbeeld voor een architectonisch machtsvertoon dat gewaardeerd werd door de nazi-elite.” Door de Geallieerden zijn de meeste van dit soort gebouwen van de nazi’s platgebombardeerd. Maar het Haus der Deutschen Kunst, eveneens van de hand van Troost, staat nog overeind. Alleen heet het nu Haus der Kunst. 

Anderhalf jaar terug was ik in München en het was voor mij een vervreemdende ervaring om midden in de stad langs dat kaalgeslagen uitgestrekte terrein te lopen. Aan de rand van de Königsplatz staat nu een moderne kubus, een mooi icoon van het door de nazi’s verfoeide modernisme in de architectuur. Hierin is het NS-Dokumentationszentrum gevestigd, een archief van de geschiedenis van het nationaalsocialisme. Het is een toonbeeld van de nieuwe houding van de Duitsers tegenover de gruwelen van het nationaalsocialisme.

Speer toont het model van het Duitse Paviljoen op de Parijse Wereldtentoonstelling van 1937.

Continuïteit

In De ziel van Duitse steden wordt de architectuur van de nazi’s niet als een afgebakende periode bezien, maar geplaatst in de continuïteit van de geschiedenis. De Vreeze maakt aannemelijk dat veel algemene opvattingen over stedelijke ontwikkeling en stadsontwerp eerder ontstonden, tot in de negentiende eeuw aan toe. Als stedenbouwkundige legt De Vreeze het accent daarop. Hij verheldert hoe Albert Speer, die door Hitler verantwoordelijk werd gesteld voor het ontwerp van het nieuwe Berlijn aansluiting zocht bij opvattingen over stedelijke inrichting die in de jaren twintig opgeld deden. Zoals het scheiden van de functies wonen, werken, recreatie en verkeer. Het is een standpunt over een gewenste stedelijke structuur dat is ingegeven door rationaliteit en efficiëntie. Na de Tweede Wereldoorlog werd deze zienswijze op grote schaal in de praktijk gebracht bij het opbouwen van het verwoeste Duitsland, zo mogelijk met behoud van de oude stadsstructuren. Dat laatste lukte wonderwel vaak, omdat de ondergrondse infrastructuur – funderingen, kelders, kabels, leidingen en rioleringen – voor het merendeel onbeschadigd bleek, aldus De Vreeze.

Door de keuze voor een perspectief dat loopt van voor tot na de Tweede Wereldoorlog wordt in De ziel van Duitse steden bij de persoon van Albert Speer niet uitvoerig stilgestaan. Ook in de specials over de Tweede Wereldoorlog wordt nauwelijks diens achtergrond belicht. En dat geldt eveneens voor de tentoonstelling Design van het Derde Rijk waarin Hitlers hofarchitect binnen het nazistische vormgevingsprogramma slechts summier aandacht krijgt. Terwijl Speer meer een conceptuele dan een praktiserende architect was. Hij was de hoogste manager die leidinggaf aan het vormgeven van het publieke domein in de nazi-staat. In een terugblik op de nazi-misdaden, vijfenzeventig jaar na dato, hoort de cruciale en vernietigende rol die Albert Speer speelde breeduit over het voetlicht te komen.

Albert Speer ontliep vlak na de oorlog bij het Proces van Neurenberg de doodstraf. Hij werd veroordeeld tot twintig jaar cel. Hermann Göring, Joseph Goebbels en Heinrich Himmler hadden zich rond de Duitse overgave van kant gemaakt. Andere nazi-kopstukken werden ter dood veroordeeld. Hoe kreeg Speer het voor elkaar dat hij niet werd opgehangen? Door zich te afficheren als een technocraat die zich weliswaar voor het karretje van de nazi’s had laten spannen, maar weinig benul van politiek had. Hij was eerst en vooral architect, nee, kunstenaar. Van de Holocaust wist hij niets, beweerde hij. Als enige nazi voor het gerecht bekende hij daarentegen schuld, niet persoonlijk maar in algemene zin. Ook na zijn vonnis was Speer in de weer om zijn straatje schoon te vegen. Tijdens zijn gevangenisstraf krabbelde hij op wc-papier notities die de grondslag vormden voor Erinnerungen (1969), zijn memoires die de waarheid geweld aandeden.

Homo-erotische gevoelens

Biografen van Speer gingen mee in het beeld dat Albert Speer van zichzelf creëerde. Ze lieten zich door zijn welbespraaktheid en ogenschijnlijke beschaafdheid – in tegenstelling tot de meeste nazi’s was Speer afkomstig uit de gegoede burgerij – om de tuin leiden. Twee biografieën brachten daarin recent verandering. De Engelse historicus Martin Kitchen publiceerde in 2015 Speer – Hitler’s architect en de Duitse historicus Magnus Brechtken volgde twee jaar later met Albert Speer – Eine deutsche Karriere. Opmerkelijk is trouwens dat na de publicatie van Brechtkens boek beide Speer-biografieën in dagbladrecensies nauwelijks met elkaar werden vergeleken.

Bij het Proces van Neurenberg waren de rechters onvoldoende op de hoogte van de misdaden van Speer tijdens de oorlog. Hij onderhield jarenlang intensief contact met Himmler, die als hoofd van de SS een van de hoofddaders was van de vernietiging van de Joden. Als inspecteur-generaal voor het bouwwezen leverde Speer de bakstenen voor Auschwitz. Brechtken: “Toen de nieuwe crematoria dankzij de financiering en bouwmaterialen van Speer in maart 1943 gereed waren, werden er dagelijks meer dan vierduizend mensen verbrand.” 

Brechtkens biografie van Albert Speer telt bijna duizend pagina’s, hoewel een uitgebreid notenapparaat daaraan mede debet is. De Duitse biograaf gaat er prat op dat zijn boek uitsluitend gebaseerd is op (nieuw) bronnenonderzoek. Memoires, gedenkboeken en interviews zijn niet langer geschikt materiaal om weer te geven “hoe het daadwerkelijk is geweest”. En het waren dus dit soort onbetrouwbare bronnen waardoor Albert Speer de schone schijn kon ophouden een ‘goede nazi’ te zijn geweest.

Martin Kitchen, de Engelse biograaf die eerder koos voor een literatuurstudie, gaat soms mee in speculatieve uitspraken van anderen. De meest opmerkelijke is die van Joachim Fest, eveneens een biograaf van Speer. Die beweerde dat tussen Hitler en Speer homo-erotische gevoelens de boventoon voerde. Maar tot op heden zijn er geen liefdesbetuigingen tussen de twee in de archieven gevonden. 

Dat is wat mij betreft de enige smet op de biografie van Kitchen, want voor het overige komt zijn verhaal over Speer in oorlogstijd overeen met dat van Brechtken. Daarvoor had hij minder dan vijfhonderd pagina’s nodig.

Hitler en Speer deelden een grote passie: architectuur. Hitler beschouwde zich als de echte architect van het Derde Rijk, waarbij hij vooral geïnteresseerd was in het effect dat ervan kon uitgaan. Hij benoemde Speer, die zich in 1931 als partijlid van de NSDAP had ingeschreven, in 1937 tot inspecteur-generaal voor de reconstructie van de rijkshoofdstad. Tegen Margarete Speer zou Hitler hebben gezegd: “Uw man zal voor mij bouwwerken doen verrijzen zoals ze sinds vierduizend jaar niet meer zijn ontstaan.” 

Organisatorisch talent

Hitlers oog viel op Albert Speer toen deze in 1934 voor het partijcongres van de NSDAP in Neurenberg een overweldigend lichtspel – een ‘kathedraal van licht’ – op het paradeveld creëerde. Naderhand is in twijfel getrokken of dit Speers vondst was. Regisseur Leni Riefenstahl die in Neurenberg aan de hand van deze massamanifestatie haar propagandafilm Triumpf des Willens (1935) opnam, zou hem dit idee aan de hand hebben gedaan. 

Speer bedacht veel maar realiseerde weinig. De nieuwe rijkskanselarij die hij in Berlijn neerzette, was voornamelijk gebaseerd op de architectuur van zijn voorganger Troost, maar zonder diens eenvoudige elegantie; theatraler en bombastischer. Hij ontwierp voor het Duitse paviljoen op de Parijse wereldtentoonstelling in 1937 een hoge zuil, van classicistische snit. Erbovenop prijkte een reusachtige adelaar met een hakenkruis in zijn klauwen. De nazi-architect had van tevoren in het geheim het constructivistische ontwerp van het aangrenzende Sovjet-paviljoen onder ogen gekregen en daarop zijn eigen ontwerp afgestemd, alleen nóg hoger. Speer kreeg er een gouden medaille voor.

Speer was geen getalenteerd architect en origineel was hij zeker niet. Toch kreeg hij van Hitler de opdracht om Berlijn om te bouwen tot Germania, hoofdstad van het nationaalsocialisme. Hij ontwierp samen met de groep architecten waarover hij beschikte een nieuwe noord-zuidas in de stad, vergelijkbaar met de Parijse boulevards van Hausmann, maar dan een maatje groter. Het Paleis van de Führer, de Volkshal en het nieuwe parlement zouden eraan komen te liggen. Hitler maakte zelf de schetsen van de enorme Volkshal, en van de Triomfboog in het midden van de boulevard. De hoogte van die monstrueuze Triomfboog bedroeg 117 meter en had een breedte van 170 meter. Van het ontwerp van het nieuwe Berlijn werd een grote maquette gemaakt. Ook van dit grand design kunnen we de artistieke genius van Speer in twijfel trekken. Noud de Vreeze merkt in De ziel van Duitse steden op: “Er wordt niet vaak op gewezen, maar het plan van Speer voor een centrale as met monumentale pleinen in het centrum van Berlijn, met alle belangrijke gebouwen, was allesbehalve origineel. Al sinds 1910 waren plannen gemaakt om met een monumentale structuur een ruimtelijke samenhang in het centrum van Berlijn te realiseren.”

Al was Speer dan geen begenadigd architect, hij beschikte wel over een andere competentie: hij had een uitzonderlijk organisatorisch talent. Hitler moet dat gauw hebben ingezien. De bombardementen op Berlijn – de blessing in disguise – zouden een paar jaar later komen, maar reeds voor het uitbreken van de oorlog schiep Speer in zijn functie van inspecteur-generaal Lebensraum in Berlijn om het megalomane project van Germania gestalte te geven. Op initiatief van Speer werden tal van Joodse ingezetenen – het ging naar schatting in totaal om 50 duizend huishoudens – al vóór de pogrom van 9 november 1938 uit hun huis gezet. Velen werden door de Gestapo gedeporteerd naar concentratiekampen. Zo ontstonden judenreiner Gebiete, geschikt voor de reconstructie van de rijkshoofdstad. Brechtken zegt het in zijn biografie onomwonden: “Speer reageerde […] uitdrukkelijk niet op een bevel van Hitler. Als nationaalsocialistische architect en stedenbouwkundige voerde hij geheel op eigen initiatief een antisemitische politiek […].” En Kitchen: “Speer was thereby a key player in the murder of thousands of Jewish Berliners.”

Maquette van de Triomfboog op de noord-zuidas in Berlijn, naar een schets van A. Hitler.

Vernietiging door werk

Vlak voor de inval in Polen in 1939 stopte Speer met de bouw aan het nieuwe Berlijn. Ondertussen breidde hij zijn macht steeds verder uit. Toen Frits Todt In 1942 verongelukte, werd hij zijn opvolger als rijksminister voor bewapening en munitie. Aan hem de taak om materiaal te leveren aan de Wehrmacht. De bewapeningsproductie verdrievoudigde. Dat was niet Speers verdienste, al goochelde hij – zeker tegenover Hitler – voortdurend met stijgende productiecijfers. Het resultaat was dat de oorlog nodeloos werd verlengd, met miljoenen extra doden tot gevolg en een Duitsland dat door bombardementen volledig in puin lag.

Uit alle veroverde gebieden in Europa liet Speer dwangarbeiders werken in de Duitse bewapeningsindustrie. Brechtken voert aan dat het aantal Duitse en buitenlandse burgerarbeiders gedurende de oorlog (peildatum 20 september 1944) is berekend op meer dan 28 miljoen mensen. De Duitse historicus haalt een onderzoek aan waarin het aantal doden onder de burgerarbeiders tussen 1939 en 1945 wordt geschat op 490 duizend. Brechtkens: “Hoeveel van die doden Speer zijn aan te rekenen is tot nog toe niet onderzocht.” En dan zijn de concentratiekampgevangenen die dwangarbeid verrichten niet eens meegeteld. Himmler leverden die aan Speer, waaronder Joden. Ze werkten onder erbarmelijke omstandigheden. De meesten stierven na een paar maanden van uitputting. Himmler noemde dat “vernietiging door werk”.

Magnus Brechtken levert kritiek op “sommige biografische teksten”, tot vrij recent aan toe, die Albert Speer het onschuldige etiket ‘Hitlers architect’ opplakken. Dit is onmiskenbaar een steek onder de gordel aan het adres van Martin Kitchen. Die gaf zijn biografie immers dat etiket als ondertitel mee. Maar daarmee doet Brechtken het boek van Kitchen geen recht. Die besteedt minstens zoveel aandacht aan de carrière van Speer als architect als aan zijn functie van minister van bewapening. Dat doet hij eigenlijk beter dan Brechtken, omdat die de eerste rol van Speer minder uitgebreid beschrijft.

Architect van Hitler kan daarnaast figuurlijk worden begrepen. Speer was niet alleen een nazi die verantwoordelijk was voor de stedenplanning, maar hij gaf verder als geen ander – naast Hitler – op een hoger plan vorm aan de nazi-staat. Niemand anders had op een gegeven moment, op Hitler na, zoveel macht naar zich toegetrokken als Albert Speer. Niemand anders stond zo dichtbij Hitler, niemand anders was zo vertrouwd met de dictator. Dat veranderde pas op het einde van de oorlog toen Hitler afstand van Speer nam. Maar hem ontslaan als minister deed hij niet. 

Speer beschouwde zich als opvolger van de Führer, die hem tot het einde toe dierbaar was. Voor Hitlers zesenvijftigste verjaardag, op 20 april 1945, werd de maquette van Germania, hoofdstad van het Derde Rijk, van zolder gehaald en in de nieuwe rijkskanselarij ten toon gesteld. De Führer mocht zich eraan laven, zich even verliezen in een gedroomde architectuur, voordat hij tien dagen later zelfmoord zou plegen.

Bij het Proces van Neurenberg spiegelde Speer de rechters voor dat hij een apolitieke technocraat was. Er zou sprake geweest zijn van een caesuur in 1942: daarvoor was hij architect, daarna technocraat. Maar zoals verklaard door Kitchen en Brechtken, vóór die tijd al liet hij zich in met de moordenaars van de SS. Albert Speer was een nieuw type manager, zonder morele scrupules, die nooit berouw heeft getoond.  Speer, aldus Kitchen, vertegenwoordigt het wijdverspreid type Duitser dat het nazistische regime mogelijk heeft gemaakt. De Engelse biograaf haalt een uitspraak aan van Sebastian Haffner, auteur van Anmerkungen zu Hitler (Kanttekeningen bij Hitler), de meest bondige biografie van Hitler: “We can get rid of the Hitlers and the Himmlers, but not the Speers. They are still with us. They are immediately recognisable and every bit as dangerous.” Een verontrustende gedachte.

– – – – – – – – – – – – – – 

Noud de Vreeze: De ziel van Duitse steden – Het drama van verwoesting en wederopbouw. Boiten boekprojecten. Amersfoort 2018. 415 blz.

Magnus Brechtken – Albert Speer, een Duitse carrière (oorspronkelijke titel: Albert Speer – Eine deutsche Karriere, 2017). Vertaald door Hans van Riemsdijk. Uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam 2018. 976 blz. 

Martin Kitchen: Speer – Hitler’s architect. Yale University Press. New Haven and London 2015. 442 blz.

Jelle Jeensma

Schrijver Jelle Jeensma

Als journalist publiceerde ik over uiteenlopende onderwerpen, maar vooral over film, literatuur en onderwijs. Ik redigeerde boeken, tijdschriften, brochures en artikelen. Van diverse filmbladen en universiteitsbladen was ik hoofd- of eindredacteur. Bij een dagblad was ik chef kunst. Als freelancer werkte ik voor verschillende journalistenbureaus. Als ghostwriter kroop ik in de huid van anderen en schreef ik zowel persoonlijke als zakelijke stukken.

Bekijk de essays van Jelle Jeensma

Reageer ook One Comment

  • Bob Lagaaij schreef:

    Wat een uitstekende, oorspronkelijke bijdrage aan alle vaak plichtmatige journalistiek rond 4 en 5 mei. We hebben rond de tentoonstelling in Den Bosch natuurlijk bangelijk en typisch Nederlands gemanoeuvreerd. Een goede catalogus en minder bevreesde bewaking hadden echt niemand bewogen om de Hitlergroet te brengen of een selfie in militair SS-uniform te maken . Desondanks: ik vond het een interessante expositie, die ook de – zeker voor die tijd – vaak opvallend moderne vormgeving van de nazi’s in beeld bracht. Confused, in alle opzichten! Maar toch blij dat ik er een halve dag aan heb besteed.

Uw reactie

%d bloggers liken dit: